Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 96 'Herr Christ, der ein’ge Gottessohn'

Petruskerk, 11 oktober 2009

1. Koor

Herr Christ, der einge Gottessohn,

Vaters in Ewigkeit,

Aus seinem Herzn entsprossen,

Gleichwie geschrieben steht,

Er ist der Morgensterne,

Sein' Glanz streckt er so ferne

Vor andern Sternen klar.


2. Recitatief (alt)

O Wunderkraft der Liebe,

Wenn Gott an sein Geschöpfe denket,

Wenn sich die Herrlichkeit

Im letzten Teil der Zeit

Zur Erde senket.

O unbegreifliche, geheime Macht!

Es trägt ein auserwählter Leib

Den großen Gottessohn,

Den David schon

Im Geist als seinen Herrn verehrte,

Da dies gebenedeite Weib

In unverletzter Keuschheit bliebe.

O reiche Segenskraft! so sich auf uns ergossen,

Da er den Himmel auf-, die Hölle zugeschlossen.


3. Aria (tenor)

Ach, ziehe die Seele mit Seilen der Liebe,

O Jesu, ach zeige dich kräftig in ihr!

  Erleuchte sie, dass sie dich gläubig

  erkenne,

  Gib, dass sie mit heiligen Flammen

  entbrenne,

  Ach würke ein gläubiges Dürsten nach

  dir!


4. Recitatief (sopraan)

Ach, führe mich, o Gott, zum rechten Wege,

Mich, der ich unerleuchtet bin,

Der ich nach meines Fleisches Sinn

So oft zu irren pflege;

Jedoch gehst du nur mir zur Seiten,

Willst du mich nur mit deinen Augen leiten,

So gehet meine Bahn

Gewiss zum Himmel an.


5. Aria (bas)

Bald zur Rechten, bald zur Linken

Lenkte sich mein verirrter Schritt.

Gehe doch, mein Heiland, mit,

Lass mich in Gefahr nicht sinken,

Lass mich ja dein weises Führen

Bis zur Himmelspforte spüren!


6. Slotkoraal

Ertöt uns durch dein Güte,

Erweck uns durch dein Gnad;

Den alten Menschen kränke,

Dass er neu Leben hab

Wohl hier auf dieser Erden,

Den Sinn und all Begierden

Und G'danken hab'n zu dir.

Bach begrijpt wat het is om mens te zijn. Hij pleegt geen cosmetische ingrepen, richt geen heroïsche standbeelden op, maar toont de mens zoals hij is: hunkerend, tastend en stumperend. Bach poetst het broze, breekbare, het smartelijke en schuldige niet weg maar verklankt het grandioos.

In de basaria (5) van deze cantate horen we hoe wij de richting kwijt zijn: wij verdwalen, weten ons niet meer te oriënteren, gaan dan weer rechts dan weer links. Strijkers en blazers vertolken in afwisseling het gezwalk van de ene naar de andere kant. Een gevaarlijke situatie. Vandaar de vraag: ‘Ga toch mee, mijn heiland, laat mij niet wegzinken!’

Mens zijn is een hachelijke zaak. En het mensbeeld in de religieuze traditie van Bach is niet bijster optimistisch. Begrijpelijk: in die tijd is Europa godsdienstig gezien verscheurd; de Turken vormen een constante bedreiging aan de oostelijke grenzen; vrouwen en kinderen sterven veel te vroeg—om maar iets te noemen.

Deze cantate linkt echter juist het feilbare en breekbare met de hemel.

‘Hemel’ is een lastig begrip. Wij denken al gauw aan iets achterlijks, waar mensen ooit in geloofden maar heden ten dage niet meer relevant is.

Bach bouwt zijn cantate op basis van woorden en beelden die stammen uit een voorbije tijd. In de muziek echter hoor je hoe Bach met dat tijdgebonden materiaal de hoogte en diepte van onze werkelijkheid peilt. Als het over de hemel gaat—en ook over ‘heiland’ en over ‘god’—, dan is aan de orde wat onze mogelijkheden, individueel en gezamenlijk, overstijgt. Er is meer dan mijn tekort. Er valt meer te zeggen dan dat ik onder de maat blijf. Ik ben meer dan wat ik er zelf van maak. Ik val niet samen met de etiketten die anderen op mij plakken en met het beeld dat ik van mijzelf heb. Dit bestaan, deze wereld, onze gebrekkige pogingen, de teleurstelling die wij onszelf en anderen bezorgen—het is allemaal ingebed in iets groots dat ons vergeeft en optilt. Wij worden door de mislukking heen gedragen. In de muziek van Bach laat zich dat grote en liefdevolle ervaren, dat troost biedt en hoop heeft. Onvermoede hoogte en diepte worden aangeboord.

Luister om te beginnen naar de muzikale taal van het openingskoor (1). Christus wordt bezongen. Hij verschijnt als een icoon, stralend. Ragfijn weeft de kleine fluit, de piccolo, randen van licht om hem heen. De Christusfiguur is de meest smartelijke en hoopvolle gestalte die de christelijke traditie en dus onze cultuur hebben opgeleverd. Als het koor zingt: ‘Hij is de morgenster!’, gebeurt er in de muziek iets bijzonders, er verschuift iets. Sterk, krachtig, schitterend vertoont zich een gestalte die wij zelf niet zijn, maar die ons zoekt en zegent. Een mystiek moment.

In het recitatief van de alt (2) buigt de zoekende beweging van de liefde zich naar de aarde om zich lijfelijk te nestelen te midden van de mensen. Zichtbaar wordt het lichaam van een vrouw.

De aria van de tenor (3) is de steeds herhaalde bede dat toch in ons de dorst wordt gewekt naar die liefdevolle verschijning, het Christusicoon, naar ‘jou’. Dichtbij is het hoge, vlammende, lichte. Maar intern moet er bij ons iets gebeuren, er moet een wissel om, zodat het liefdevolle zich met ons kan verbinden.

In het recitatief van de sopraan (4) is de dorst gewekt. De ziel bidt los te mogen komen van het ‘vlees’. Dat laatste woord staat in de bijbelse traditie voor het menselijke onvermogen, voor alles wat ons naar beneden haalt en onder de maat houdt. De juiste richting is de hemel. Hemel staat voor het goddelijke en zegenende ja, voor het veelbelovende dat door onze grenzen heen breekt. Voor wat wij nog niet zijn maar mogen worden.

Zoals de cantate begint met het eerste couplet van het koraal ‘Herr Christ, der ein’ge Gottessohn’, van Elisabeth Creutzinger (16e eeuw), zo eindigt ze met het laatste couplet van datzelfde koraal. De mystiek van het openingskoraal zit ook in het slotkoraal. Opnieuw kantelt het, dit keer bij onszelf: van dood naar leven, van oude naar nieuwe mens. Nieuw leven dient zich aan. Het gestumper, het heen en weer van rechts naar links, het dolen mondt uit in de laatste twee woorden: ‘zu dir’, ‘naar jou’. Het leven, de zinnen, het verlangen, het denken krijgen een richting, een oriëntatie. Als wij aan onszelf zijn overgeleverd, blijven we nergens. We redden het alleen als we tenslotte ‘jij’ kunnen zeggen, richting die Christusfiguur, die adembenemende gestalte vol licht. Sterk en moeiteloos bereikt ons het licht via Bach’s weergaloze muziek.


Henk Gols