Website Henk Gols

Cantate 104 ‘Du Hirte Israel, höre’

Petruskerk, 14 april 2013

1. Openingskoor 

'Du Hirte Israel, höre, der du Joseph hütest wie der Schafe, erscheine, der du sitzest über Cherubim.'

 2. Recitatief (tenor)

Der höchste Hirte sorgt vor mich,
Was nützen meine Sorgen?
Es wird ja alle Morgen
Des Hirten Güte neu.
Mein Herz, so fasse dich,
Gott ist getreu.

3. Aria (tenor) 

Verbirgt mein Hirte sich zu lange,
Macht mir die Wüste allzu bange,
Mein schwacher Schritt eilt dennoch fort.
    Mein Mund schreit nach dir,
    Und du, mein Hirte, wirkst in mir
    Ein gläubig Abba durch dein Wort.

 4. Recitatief (bas) 

Ja, dieses Wort ist meiner Seelen Speise,
Ein Labsal meiner Brust,
Die Weide, die ich meine Lust,
Des Himmels Vorschmack, ja mein alles heiße.
Ach! sammle nur, o guter Hirte,
Uns Arme und Verirrte;
Ach lass den Weg nur bald geendet sein
Und führe uns in deinen Schafstall ein!

 5. Aria (bas) 

Beglückte Herde, Jesu Schafe,
Die Welt ist euch ein Himmelreich.
    Hier schmeckt ihr Jesu Güte schon
    Und hoffet noch des Glaubens Lohn
    Nach einem sanften Todesschlafe.

 6. Slotkoraal

Der Herr ist mein getreuer Hirt,
dem ich mich ganz vertraue,
Zu Weid er mich, sein Schäflein, führt,
Auf schöner grünen Aue,
Zum frischen Wasser leit' er mich,
Mein Seel zu laben kräftliglich
Durchs selig Wort der Gnaden.

‘De grazige weiden, de stille wateren’ spreken tot in de poëzie van Rutger Kopland tot de verbeelding. Ook in de periode van de barok, de tijd van Bach, riep men in literatuur, beeldende kunst en muziek graag de sfeer op van lieflijkheid en vrede. Men zag er niet tegenop zichzelf met schapen te vergelijken; idealiter waren mensen geen losse individuen maar hoorden ze bijeen, als een kudde die veilig was bij de herder.

  Het herdersmotief behoort tot de vroegste voorstellingen uit de christelijke traditie. Tot in de zesde eeuw wordt het motief in schilderingen (bijvoorbeeld in de Romeinse catacomben) en beeldhouwwerk veelvuldig gebruikt. Daarna is het een hele tijd weg — tot de barok.
  Al in de Bijbel komt God als herder voor, en Jezus. De herder is een troostende figuur. En ook een aanklacht tegen een gebrek aan herderschap bij koningen en keizers.

De cantate opent met het begin van psalm 80: ‘Gij herder van Israël, hóór! gij die Jozef als schapen hoedt, verschijn! gij die zetelt op de cherubiem.’ Gij die Jozef als schapen hoedt — ‘Jozef’ vormt de aanduiding van de noordelijke stammen van Israël. Lees je rest van de psalm, dan blijkt het te gaan om een verwoest volk, kaalgeplukt, vertrapt en weggeschroeid.
  De schildering van de goede herder in de Romeinse catacomben dateert uit iets na 200, de tijd dat keizers bij tijd en wijle tekeer gingen tegen het christelijke volk.
  En de idylle die in de barok zo graag wordt opgeroepen, kan worden beschouwd als een protest tegen toenmalige absolutistisch regerende vorsten met hun willekeur.

Bij wie zijn mensen veilig?
  In verschillende tijden en allerlei plaatsen ervaren mensen aan den lijve dat ze niet veilig zijn bij degenen die de politieke macht hebben. Ze worden uitgebuit, uitgekleed; ze zijn onderworpen aan de grillen van wie op macht en geld belust zijn. Mensen raken als schapen verstrooid, de samenleving desintegreert. Je moet jezelf zien te redden en velen ontbreekt het aan de mogelijkheden daartoe.
  Tegenover het ontwrichtende gegeven dat mensen aan de top vooral goed voor zichzelf zorgen en geen betrouwbare herders zijn, schreeuwt psalm 80 naar God: ‘Gij herder van Israël, hóór! gij die Jozef als schapen hoedt, verschijn! gij die zetelt op de cherubiem.’ Gij die zetelt op de cherubiem — God is de lege plek boven de gevleugelde gestalten in het binnenste van het Israëlitische heiligdom. Hij is het tegendeel van te grote ego’s die schaamteloos alle ruimte innemen. God is de lege plek waar je zou willen blijven; hij is de ruimte die zich vult met Bach’s schitterende openingskoor: ‘Du Hirte Israel, höre der du Joseph hütest wie der Schafe, erscheine, der du sitzest über Cherubim.’ ‘Hoor!’, ‘verschijn!’ wordt naar de lege plek die God is toe geroepen. Indringend, bezwerend, klinkt hier eredienst op z’n best: een klemmende vertolking van menselijk verlangen naar levensruimte en gerespecteerd worden, naar aandacht en zorg als het moet, naar verbondenheid en thuiskomen. ‘Jij, herder van Israël, hóór! verschijn!’, want wij worden verder niet gehoord en als wij roepen geeft er niemand thuis.

De appellerende opening van deze pastorale cantate laat de aanklacht achter de idylle horen. Meteen is ook duidelijk dat God niet het ordinaire verlengde is van gebruikelijke machtsuitoefening, maar een bron van vertrouwen. Dat vertrouwen spreekt uit heel de cantate, o.a. uit de aria van de tenor (3), waarin God als ‘abba’ wordt aangesproken. Abba — het woord is bewaard gebleven in ons woord abt. ‘Vader’ betekent het. Een verborgen vader, een lege plek waarin ik mijn vertrouwen leg.

In de aria van de bas (5) is de idylle compleet. Er verschijnt een landschap vol harmonisch geluk: wat een goedheid is er te proeven; zelfs doodgaan is vervuld van een rustige hoop.
  De cantate eindigt met een bewerking van opnieuw een psalm, de psalm bij uitstek van groene weiden en frisse wateren: ‘De Heer is mijn trouwe herder’ (psalm 23).
  Is het wegdromen? Nee, we weten nu dat het een aanklacht is tegen de puinhopen die geperverteerde macht overal en steeds weer willens en wetens aanricht. De menselijke ziel zingt haar verlangen uit. Ze weet immers van een andere mogelijkheid: het goede, betrouwbare herderschap dat in de gestalte van Jezus voorgoed een uitdrukking heeft gevonden. Het beeld van de goede herder staat onuitwisbaar op de wanden van ons aangevochten bestaan; via kerk en kunst en de muziek van o.a. Bach heeft dat hoopvolle tegenbeeld zich genesteld in de dieptelaag van onze cultuur.


Henk Gols