Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 180 'Schmücke dich, o liebe Seele'

Petruskerk, 13 oktober 2013

1. Openingskoor

Schmücke dich, o liebe Seele,
Lass die dunkle Sündenhöhle,
Komm ans helle Licht gegangen,
Fange herrlich an zu prangen;
Denn der Herr voll Heil und Gnaden
Läßt dich itzt zu Gaste laden.
Der den Himmel kann verwalten,
Will selbst Herberg in dir halten.

2. Aria (tenor)

Ermuntre dich: dein Heiland klopft,
Ach, öffne bald die Herzenspforte!
    Ob du gleich in entzückter 
    Nur halb gebrochne Freudenworte
    Zu deinem Jesu sagen musst.

3. Recitatief en koraal (sopraan)

Wie teuer sind des heilgen Mahles Gaben!
Sie finden ihresgleichen nicht.
Was sonst die Welt
Vor kostbar hält,
Sind Tand und Eitelkeiten;
Ein Gotteskind wünscht diesen Schatz zu haben
Und spricht:

Ach, wie hungert mein Gemüte,
Menschenfreund, nach deiner Güte!
Ach, wie pfleg ich oft mit Tränen
Mich nach dieser Kost zu sehnen!
Ach, wie pfleget mich zu dürsten
Nach dem Trank des Lebensfürsten!
Wünsche stets, dass mein Gebeine
Mich durch Gott mit Gott vereine.

4. Recitatief (alt)

Mein Herz fühlt in sich Furcht und Freude;
Es wird die Furcht erregt
Wenn es die Hoheit überlegt
Wenn es sich nicht in das Geheimnis findet,
Noch durch Vernunft dies hohe Werk ergründet.
Nur Gottes Geist kann durch sein Wort uns lehren,
Wie sich allhier die Seelen nähren,
Die sich im Glauben zugeschickt.
Die Freude aber wird gestärket,
Wenn sie des Heilands Herz erblickt
Und seiner Liebe Größe merket.

5. Aria (sopraan)

Lebens Sonne, Licht der Sinnen,
Herr, der du mein alles bist!
    Du wirst meine Treue sehen
    Und den Glauben nicht verschmähen,
    Der noch schwach und furchtsam ist.

6. Recitatief (bas)

Herr, lass an mir dein treues Lieben,
So dich vom Himmel abgetrieben,
Ja nicht vergeblich sein!
Entzünde du in Liebe meinen Geist,
Dass er sich nur nach dem, was himmlisch heißt,
Im Glauben lenke
Und deiner Liebe stets gedenke.

7. Slotkoraal

Jesu, wahres Brot des Lebens,
Hilf, dass ich doch nicht vergebens
Oder mir vielleicht zum Schaden
Sei zu deinem Tisch geladen.
Lass mich durch dies Seelenessen
Deine Liebe recht ermessen,
Dass ich auch, wie itzt auf Erden,
Mög ein Gast im Himmel werden.

De verrassing: ik word gevráágd, ten dans gevraagd! Deze cantate is een uitnodiging tot de dans. Met dansmuziek begint ze, met feestelijke prachtige schrijdende bewegingen. Soms wordt er in de cantates van Bach en de lutherse koralen wel erg op de hemel gefocust. Maar nu is het feest hier al begonnen.

De cantate is gebouwd rond een koraal van Johann Franck (1618-1677), burgemeester uit Guben, een stadje aan de huidige Duits-Poolse grens. Johann Franck dichtte ook ‘Jesu, meine Freude’. Beide liederen zijn gemaakt op de liturgische Maaltijd, op het bruiloftsmaal van de eucharistie. Johann Franck was mystiek bevlogen. Mystiek is: de dans, het putten uit de levensbron, het raken aan boven- en ondertonen van vreugde, aan de hot stuff underneath. Johann Crüger, een vriend van Franck, voorzag de koraaltekst van een melodie — en wat voor een! Over zijn vondst is wel gezegd dat die zo geslaagd is dat de hemelse engelen geen betere hadden kunnen bedenken. Tekst en melodie bevestigen elkaar in hun innige feestelijkheid.

De mystiek spreekt de taal van de liefde en is dus uitbundig en gevoelig. Ze laat me zien dat het leven meer is dan het cirkelen om mijzelf: ik word gezocht, er is een liefste die me roept. De kerk waar de Maaltijd van de liefste wordt gevierd, is een feestzaal. De feestzaal is echter ook binnenin mij. Ik kom naar mijn lief, maar hij komt ook naar mij: hij wil bij mij ‘een herberg vinden’.


Wat zegt en zingt de cantate?

(1) ‘Maak je mooi, lieve ziel, wees prachtig! Treed aan het licht, kom uit je duister tevoorschijn. (2) Er wordt bij je aangeklopt: kom op nu, doe , snel! Je bloost, je stamelt — het geeft niet, durf maar! Geef maar toe aan de blijdschap die je op voelt komen. Wat aarzel je: durf beminnen!

(3) De tafel staat gedekt — zo feestelijk zag je het nergens, zo welkom wist je je niet eerder. Nu is ook duidelijk wat om je heen waardeloos is, plat en leeg, vergeleken met het kostbare dat zich nu zomaar aan je presenteert. Wat je ten diepste verlangt staat op tafel voor je klaar. Dus eet en drink!’

(4) ‘Wat gebeurt er met me? Wat overkomt me? Ik peil het niet, ik kan er met mijn hart en mijn verstand niet bij, ik kom binnen in een groot geheim waar ik de weg niet ken. Ik ervaar slechts liefde om me heen en ben zo blij: (5) zon van mijn leven, licht van mijn lijf, hier ben ik. Nauwelijks durf ik mij toevertrouwen en toch doe ik het. Hier ben ik, ik waag me aan jouw wervelende dans!

(6) Maar — als straks de dans voorbij is, houd me ook dan dichtbij jouw liefde. (7) Ach nee, laat het nooit voorbij zijn: blijf me nodigen aan jouw tafel, laat mij in jouw feestelijke hemel je gast zijn voorgoed.’


De cantate getuigt van een feestelijkheid die lijkt te bestaan buiten onszelf, of diep in onszelf, waar wij zomaar niet bij kunnen, die zich echter bij ons meldt en ons meevoert in een beweging met gracieuze dansfiguren van pure liefde — liefde die ons prachtig maakt.


‘Lieve ziel, schitter vol luister,
treed tevoorschijn uit het duister,
om je met het licht te sieren
en je groot geluk te vieren.
Want de gastheer vol genade
wil jou aan zijn tafel vragen;
uit zijn hemel wil hij komen
om jou feestelijk te bewonen.’


Henk Gols