Website Henk Gols

Cantate 186a  'Ärgre dich, o Seele, nicht'

Petruskerk,
8 december 2013

1. Openingskoor

Ärgre dich, o Seele, nicht,
Dass das allerhöchste Licht,
Gottes Glanz und Ebenbild,
Sich in Knechtsgestalt verhüllt.
Ärgre dich, o Seele, nicht!

2. Aria (bas)

Bist du, der da kommen soll,
Seelenfreund im Kirchengarten?
Mein Gemüt ist zweifelsvoll,
Soll ich eines andern warten?
Doch, o Seele, zweifle nicht.
Lass Vernunft dich nicht verstricken,
Deinen Schild, o Jakobs Licht,
Kannst du in der Schrift erblicken!

3. Aria (tenor)

Messias lässt sich merken
Aus seinen Gnadenwerken,
Unreine werden rein.
Die geistlich Lahme gehen,
Die geistlich Blinde sehen
Den hellen Gnadenschein.

4. Aria (sopraan) 

Die Armen will der Herr umarmen
Mit Gnaden hier und dort!
Er schenket ihnen aus Erbarmen
Den höchsten Schatz, des Lebens Wort!

5. Aria (duet sopraan en alt) 

Lass, Seele, kein Leiden
Von Jesu dich scheiden,
Sei, Seele, getreu!
Dir bleibet die Krone
Aus Gnaden zu Lohne,
Wenn du von Banden des Leibes nun frei.

 6. Slotkoraal

Die Hoffnung wart’ der rechten Zeit,
was Gottes Wort zusaget.
Wenn das geschehen soll zur Freud,
setzt Gott kein g’wisse Tage.
Er weiß wohl, wenns am besten ist,
und braucht an uns kein arge List,
des solln wir ihm vertrauen.

Het heet de tijd van Advent. En advent betekent dat het komt, dat hij komt, of zij. Dat naar mij toekomt datgene wat een antwoord is op mijn verlangen. Advent is in de christelijke traditie meer dan de voorbereiding op Kerstmis. Het is meer dan toeleven naar de geboorte van Jezus, zoals die ooit heeft plaatsgehad. Advent is niet teruggaan naar verleden dat voorbij is, maar is de beweging naar voren, de beweging van het verlangen, het verlangen dat op de vervulling vooruitloopt. Mijn verlangen en het oeroude verlangen van de wereld stromen uit in de richting van wat komt. Twee bewegingen, de beweging van ons uit en de komende beweging naar ons toe, ontmoeten elkaar; als twee geliefden, die elkaar omarmen, die een dansend duet zingen — zoals de aria voor sopraan en alt in de cantate van vandaag (5).

Verlangen doen we allemaal. Soms is het verlangen groot en wijd en alomvattend. Zo groot als de wereld. Hier en daar zijn en waren er mensen die drager zijn van dat grote verlangen. Ze brengen dat verlangen binnen in hun samenleving en ontmoeten verzet van degenen die de touwtjes in handen hebben. Steeds ook weer worden mensen vol verlangen als dissident beschouwd. Ze krijgen huisarrest, komen in de gevangenis of worden op een Robbeneiland neergezet. Wat gebeurt daar met hun verlangen? Gaat het te gronde, verpietert het, wordt men cynisch, geeft men op, of zuivert en rijpt het verlangen?

In de evangelielezing op de derde zondag van Advent, waarvoor deze cantate geschreven is, is Johannes de Doper de dissident die gevangen zit. Hier volgt een gedeelte uit het betreffende evangelie:


Toen Johannes in de gevangenis over het optreden van de messias hoorde, stuurde hij twee van zijn leerlingen naar hem toe met de vraag: ‘Ben jij degene die komen zou of moeten we een ander verwachten?’ Jezus antwoordde: ‘Ga tegen Johannes zeggen wat jullie zien en horen: de blinden zien en de verlamden lopen, de melaatsen worden gereinigd en de doven horen, de doden staan op en aan de armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt. Gelukkig is degene die die zich aan mij niet ergert.’

(Matteüs 11:2-6, naar de Duitse luthervertaling)


Wat gebeurt er bij Johannes met het verlangen? Levensgroot komt de vraag bij Johannes boven: Ben jij het of is het ander?

Her en der vang je dan wel signalen op van een nieuw begin — telkens als mensen het weer zien zitten en uit hun verlamming overeind komen; als ze niet alleen maar gehavend en slachtoffer zijn, maar zich tevoorschijn geroepen weten en hun leven over een andere boeg durven gooien.

Maar jijzelf zit gevangen. Het nieuwe dat komt betekent niet dat er ook voor jou nu al een oplossing is. Jij, die vastzit, wat gebeurt er met je verlangen?


Bach schrijft deze cantate als hij in Weimar woont en werkt, voor de derde adventszondag van 1716. De uitvoering van vanavond is een muzikale reconstructie. De muziek voor de cantate laat zich reconstrueren uit een latere bewerking, die Bach in Leipzig maakte voor een zomerse zondag (de zevende zondag na Trinitatis, 1723).

In het openingskoor wringen de inzetten van de zangers, als ze zingen ‘Ärgre  dich, o Seele, nicht’. Erger je niet, o ziel. ‘Ziel’ heeft met verlangen te maken — verlangen, dat gefrustreerd dreigt te worden. De cantate van Bach is een loutering van het verlangen. De aria’s klimmen van de lage stemmen van bas en tenor op naar sopraan en alt. Van de eenvoudige muzikale begeleiding bij de eerste aria is er een ontwikkeling naar het gebruik van meer instrumenten, die uitloopt op de concertante laatste aria: dat dansende duet, waarin blijkt dat de ziel geen afscheid neemt van het verlangen, hoezeer het leven en het lijf ook worden beperkt en ingeklemd.

In de cantatetekst, geschreven door Salomon Franck , wordt een mystiek beeld opgeroepen dat eigen is aan de Advent en bijvoorbeeld ook te horen is in Bachs Weihnachtoratorium, een motief uit de bijbelse liefdespoëzie: dat van de bruid die verlangend haar lief tegemoet gaat, haar ‘Seelenfreund im Kirchengarten’. Bij dat motief hoort het beeld van de tuin van de liefde, de Hooglied-tuin — die volgens de cantatetekst zowaar naast de kerk te vinden is. Het is de plek waar mijn ziel haar vriend ontmoet, de zielsvriend die komen zou.


Hoe eindigt de cantate, met welk slotkoor? We weten het niet precies. Mogelijk is het de koraalstrofe die wij zojuist hebben ingestudeerd. Hoopvol is die en vol overgave. Vol vertrouwen dat het komt zoals het komt, dat hij komt op zijn eigen wijze, op het juiste moment.


Henk Gols