Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 44  ‘Sie werden euch in den Bann tun’

Petruskerk, 12 mei 2013

1. Openingsduet (tenor, bas)

Sie werden euch in den Bann tun.

2. Koor

Es kömmt aber die Zeit, dass, wer euch tötet, wird meinen, er tue Gott einen Dienst daran.

3. Aria (alt)

Christen müssen auf der Erden 
Christi wahre Jünger sein.
  Auf sie warten alle Stunden, 
  Bis sie selig überwunden
  Marter, Bann und schwere Pein. 

4. Koraal

Ach Gott, wie manches Herzeleid
Begegnet mir zu dieser Zeit! 
Der schmale Weg ist trübsalvoll,
Den ich zum Himmel wandern soll.

5. Recitatief (bas)

Es sucht der Antichrist,
Das große Ungeheuer, 
Mit Schwert und Feuer
Die Glieder Christi zu verfolgen,
Weil ihre Lehre ihm zuwider ist.
Er bildet sich dabei wohl ein,
Es müsse sein Tun Gott gefällig sein.
Allein, es gleichen Christen denen
  Palmenzweigen,
Die durch die Last nur desto höher steigen. 

6. Aria (sopraan)

Es ist und bleibt der Christen Trost,
Daß Gott vor seine Kirche wacht.
  Denn wenn sich gleich die Wetter türmen,
  So hat doch nach den Trübsalstürmen
  Die Freudensonne bald gelacht. 

7. Slotkoraal

So sei nun, Seele, seine
Und traue dem alleine,
Der dich erschaffen hat.
Es gehe, wie es gehe:
Dein Vater in der Höhe,
Der weiß zu allen Sachen Rat.

Onverbiddelijk, dreigend, huiveringwekkend is de sfeer in het begin van de cantate, als in de muziek de volgende woorden van Jezus worden tot klinken worden gebracht:


‘Ze zullen jullie in de ban doen.
Ja de tijd komt dat wie jullie doodt, zal menen daarmee God een dienst te doen.’
(Johannes 15:2)


‘Ze zullen jullie in de ban doen’, zingen tenor en bas. Ze gooien je eruit, ze zetten je uit de synagoge, uit de kerk. Je bent ongewenst, je hoort er niet meer bij.
Dan valt het koor in; de muziek giert en huilt: ‘Ja de tijd komt dat wie jullie doodt, zal menen daarmee God een dienst te doen.’

Het is de eenzame zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren. In de christelijke traditie zijn het de dagen van het alleengelaten worden. De adem stokt. De cantate die bij deze zondag hoort, zet in met een tekst uit het evangelie van Johannes, een gedeelte uit Jezus’ afscheidswoorden (Johannes 13-17), een passage die siddert is van angst en schrik. De cantate richt zich troostend tot al diegenen die vanwege hun geloof eenzaam werden. Tot al die bevlogenen die om hun woorden en daden van een nieuw vertrouwen, de instituties tegen zich kregen; die weerloos tegen een hele heidense wereld moesten opboksen, maar tot hun verbijstering óók tegen de gezagsdragers van de eigen godsdienst. Fel en dramatisch wordt de weerstand neergezet —de weerstand vanaf het begin van de christelijke beweging, al in de tijd van het evangelie van Johannes, eind eerste eeuw; maar Bach zal ook gedacht hebben aan de nieuwe gelovigen in de tijd van de Reformatie die door het kerkelijke instituut werden achternagezeten.
In je spreken en handelen dichtbij Christus willen zijn, blijkt een felle tegenreactie op te kunnen roepen: ‘anti-christ’ heet het woedende monster dat te vuur en te zwaard de mensen met een nieuw vertrouwen te lijf gaat (5). Nota bene, de kerk, met al haar verheven praat over God, kan anti-christelijk zijn — wordt in deze cantate geweten en beleden.

Op het eind van het recitatief van de bas (5) verschijnen twijgen van palmen. Opschietende palmbomen komen in de bijbelse psalmen voor als beeld van de rechtvaardigen. In de barok heette het dat palmen beter en steviger groeien als je ze onder druk zet, als je er een gewicht op laat drukken (palma sub pondere crescit). Van weerstand word je sterker.
In de aria van de sopraan (6) breekt de zon door, krachtig en vreugdevol.
In de cantate zingt het zodoende naar het vertrouwen toe dat weerstand de weerlozen niet zal breken. Laat maar woeden, laat maar stormen, laat maar gaan zoals het gaat — zingt het troostend, op deze verweesde zondag, net alsof je in je radeloosheid, bij al je kwetsuren, behoed wordt.


Henk Gols