Cantate 9 ‘Es ist das Heil uns kommen her’

Moeten — wat we allemaal niet moeten van onze ouders en onze omgeving, van onze partner en als geëmancipeerde vrouwen van de minister. De werkdruk, de druk om te solliciteren, de gezinsdruk, het mantelzorgen, alles wat we moeten om correct en bij de tijd en in tel te zijn. We horen de stem van onze geweten, van onze baas, en sommigen van ons ook nog de stem van God.

‘Wet’ heet dat moeten in cantate nummer 9. Wet is in de cantate vooral een religieus begrip. De wet komt van God, het is wat we eigenlijk zouden moeten, wat het menselijk leven naar een hoger plan beoogt te tillen, wat ons wil helpen aan de banaliteit te ontsnappen, aan wreedheid en egoïsme. De wet is uit op menselijkheid, op onderlinge zorg en wederzijdse verantwoordelijkheid. Een kostbaar instrument voor de mensheid op weg naar verdere verfijning en ontplooiing.

Maar goede educatieve bedoelingen kunnen helemaal verkeerd uitpakken. Dan wordt het heilige moeten een steriele verplichting en het emanciperen een nieuwe veel te hoge lat. Wat bedoeld was om bij onze verborgen mogelijkheden aan te knopen, wordt een vreemd voorschrift, een eis die ons frustreert. Het eindeloze moeten resulteert in een niet kunnen. Hoe meer we moeten, des te meer gaan we onderuit. We blijven in gebreke, de wet wordt een spiegel waarin we alleen maar zien hoezeer we falen.

Aldus krijgen we het te horen in het eerste van de drie recitatieven, die door de bas worden gezongen (2). De bas is een autoriteit, een leraar, een therapeut. Hij laat ons zien hoezeer we op een doodlopende weg zitten als wij leven in de sfeer van het moeten. 

Er volgen nog twee recitatieven (4, 6), waarin de bas voortgaat als leermeester tot ons te spreken. In het tweede recitatief houdt de bas ons de figuur van Jezus voor. Want juist de Jezusfiguur staat voor iets geheel anders dan het loodzware moeten. Jezus staat voor het vertrouwen. Hij bevrijdt ons van het moeten door ons vertrouwen te wekken. Als de bas zingt dat we ons stevig aan Jezus’ arm mogen hangen, wordt het recitatief tot een speels arioso (slot van 4).


In deze cantate komt het kernstuk van het lutherse geloof tot klinken. De recitatieven van de bas vormen de uiteenzetting van een leer, een dogma. Desalniettemin opent de cantate in een sfeer van lichtheid en gratie. Want de lutherse leer is niet steriel, maar de theoretische uitwerking van een vreugdevol eureka!

Hoor hoe de tenor zwoegt in zijn aria (3): hij representeert ons verwoede pogen dat op niets uitloopt: dat we door al het moeten alleen nog maar verder wegzakken in machteloosheid — we zijn nergens meer! Ja die waanzinnige, gepassioneerde aria maakt hoorbaar hoe we gek worden van het moeten. Maar zoals een wetenschapper in zijn onderzoek opeens de oplossing vindt waardoor alle eerdere losse stukjes op hun plaats vallen, zo is in deze cantate sprake van een blijde vondst, die in een vreugdevolle leer en dito muziek worden weergegeven. Een verrassend, helder inzicht maakt dat wij ons leven over een andere boeg kunnen gooien. Niet de werken maar het geloof, niet het moeten maar het vertrouwen blijkt de sleutel van het leven. Het regime van het moeten heeft eens en voorgoed afgedaan (daar is Christus namens ons allen aan bezweken).

Bach en zijn libretto-schrijver hebben evident met groot plezier de vondst van de Reformatie in hun cantate weergegeven. Vreugde danst door het openingskoor en het duet van sopraan en alt (5).


Op het eind van de cantate (6, 7) blijkt God met zijn hoge wet, die de mensheid voort wil stuwen, toch juist niet degene van wie wij van alles zouden moeten. Zwijgend is hij aanwezig in het laatste recitatief en het slotkoraal. God is een soort stilte. Waarom is hij zo stil? Hij die leek thuis te horen in de hoek van het alsmaar moeten, komt ons nabij in de stilte van het vertrouwen. Hij keert zich niet van ons af, zijn vreemde zwijgen is vol nabijheid en weerspreekt het NEE dat wij onterecht tegen onszelf zeggen.

Henk Gols

© Henk Gols 2013