Website Henk Gols

Cantate 109, ‘Ich glaube, lieber Herr, hilf meinem Unglauben!’

Petruskerk,
9 november 2014

1. Openingskoor 

Ich glaube, lieber Herr, hilf meinem Unglauben!

2. Recitatief (tenor) 

Des Herren Hand ist ja noch nicht verkürzt,
Mir kann geholfen werden.
Ach nein, ich sinke schon zur Erden
Vor Sorge, dass sie mich zu Boden stürzt.

Der Höchste will, sein Vaterherze bricht.
Ach nein! er hört die Sünder nicht.
Er wird, er muss dir bald zu helfen eilen,
Um deine Not zu heilen.
Ach nein, es bleibet mir um Trost sehr bange;
Ach Herr, wie lange?

 3. Aria (tenor) 

Wie zweifelhaftig ist mein Hoffen,
Wie wanket mein geängstigt Herz!
    Des Glaubens Docht glimmt kaum
    hervor,
    Es bricht dies fast zustoßne Rohr,
    Die Furcht macht stetig neuen Schmerz.

 4. Recitatief (alt) 

O fasse dich, du zweifelhafter Mut,
Weil Jesus itzt noch Wunder tut!
Die Glaubensaugen werden schauen
Das Heil des Herrn;
Scheint die Erfüllung allzufern,
So kannst du doch auf die Verheißung bauen.

5. Aria (alt) 

Der Heiland kennet ja die Seinen,
Wenn ihre Hoffnung hülflos liegt.
    Wenn Fleisch und Geist in ihnen
    streiten,
    So steht er ihnen selbst zur Seiten,
    Damit zuletzt der Glaube siegt.

6. Slotkoraal 

Wer hofft in Gott und dem vertraut,
Der wird nimmer zuschanden;
Denn wer auf diesen Felsen baut,
Ob ihm gleich geht zuhanden
Viel Unfalls hie, hab ich doch nie
Den Menschen sehen fallen,
Der sich verlässt auf Gottes Trost;
Er hilft sein'n Gläubgen allen.

Het openingskoor is een drama in zeven woorden: ‘Ich glaube, lieber Herr, hilf meinem Unglauben!’ (‘ik geloof, lieve Heer, kom mijn ongeloof te hulp!’) Bach focust op de laatste woorden: ‘kom mijn ongeloof te hulp!’

Geloven in de bijbelse traditie is vertrouwen. En vertrouwen gaat nooit vanzelf. De cantate vecht zich naar het vertrouwen toe. Vertrouwen lukt alleen maar als ik niet alleen maar op mijzelf aangewezen ben. Vertrouwen is geen individuele prestatie. Vertrouwen ontstaat in verbinding. Wij helpen elkaar te vertrouwen. De stem van mijn vertrouwen heeft een dragende melodie nodig, vertrouwen ontstaat in het gezamenlijke zingen van een gemeente.

De woorden over het vertrouwen aan het begin van deze cantate komen uit het evangelie. Twee verschillende evangelieverhalen over een vader met een doodziek kind vloeien erin samen (Johannes 4:46-54 en Marcus 9:14-29). Een doodziek kind, dat door het vertrouwen van de vader wordt gered. Wat voor vertrouwen is dat van zo’n vader? De schrijver van de cantatetekst en Bach begrijpen die vader van het zieke kind. Het vertrouwen van de vader is niet ongeschokt, het wordt aangevochten, het gaat heen en weer tussen hoop en vrees. De tenor brengt het voortdurende heen en weer tussen geloof en ongeloof tot uitdrukking in zijn recitatief. Vol onrust is de erop volgende aria, de muziek is gejaagd en zit vol vraagtekens.

Vertrouwen? Maar telkens ook de angst dat de hulp niet toereikend is of te laat komt, dat God tekortschiet of ikzelf. Vertrouwen? Een flakkerend vlaspitje, gekrookt riet dat bijna breekt. Vertrouwen? Maar wel vol angst die pijn doet. Wat wankelt het vertrouwen.

En dan toch de omslag. De alt tilt het ongeloof naar het geloof. De alt opent de ogen van het vertrouwen. Vertrouwen is een andere manier van kijken. De alt tilt ons van het niveau van het ‘vlees’ naar het niveau van de ‘geest’. Vlees en geest vormen een bijbels begrippenpaar. ‘Vlees’ staat voor alles wat naar beneden trekt en situaties vastzet, voor communiceren en handelen zonder verwachting. ‘Geest’ is wat ademt, wat in ons opwiekt, is de oogopslag van de hoop. Geest is wat mij binnenleidt in de ruimte van het vertrouwen.

Zingen zonder adem lukt niet. Om te kunnen zingen moet je adem halen. In die ademhaling schiet de geest, schiet het vertrouwen. Let maar op, als wij straks samen het slotkoor aanheffen en in het samen zingen zomaar even al onze onrust en twijfel te boven komen.


Henk Gols