Website Henk Gols

Cantate 13  'Meine Seufzer, meine Tränen'

Petruskerk, 12 januari 2014

1. Aria (tenor) 

Meine Seufzer, meine Tränen
Können nicht zu zählen sein.
   Wenn sich täglich Wehmut findet
   Und der Jammer nicht verschwindet,
   Ach! so muss uns diese Pein
   Schon den Weg zum Tode bahnen.

2. Recitatief (alt)

Mein liebster Gott lässt mich annoch
Vergebens rufen und mir in meinem Weinen
Noch keinen Trost erscheinen.
Die Stunde lässet sich zwar wohl von ferne
  sehen,
Allein ich muss doch noch vergebens flehen.

3. Koraal (alt) 

Der Gott, der mir hat versprochen
Seinen Beistand jederzeit,
Der lässt sich vergebens suchen
Jetzt in meiner Traurigkeit.
Ach! Will er denn für und für
Grausam zürnen über mir,
Kann und will er sich der Armen
Itzt nicht wie vorhin erbarmen?

 4. Recitatief (sopraan) 

Mein Kummer nimmet zu
Und raubt mir alle Ruh,
Mein Jammerkrug ist ganz mit Tränen angefüllet,
Und diese Not wird nicht gestillet,
So mich ganz unempfindlich macht.
Der Sorgen Kummernacht
Drückt mein beklemmtes Herz darnieder,
Drum sing ich lauter Jammerlieder.
Doch, Seele, nein,
Sei nur getrost in deiner Pein:
Gott kann den Wermutsaft gar leicht in Freudenwein verkehren
Und dir alsdenn viel tausend Lust gewähren.

5. Aria (bas) 

Ächzen und erbärmlich Weinen
Hilft der Sorgen Krankheit nicht;
    Aber wer gen Himmel siehet
    Und sich da um Trost bemühet,
    Dem kann leicht ein Freudenlicht
    In der Trauerbrust erscheinen.

6. Koraal 

So sei nun, Seele, deine
Und traue dem alleine,
Der dich erschaffen hat;
Es gehe, wie es gehe,
Dein Vater in der Höhe,
Der weiß zu allen Sachen Rat.

Wat een ellende, deze cantate! Met mijn lutherse collega wil ik het er nog eens over hebben hoe het dit toch mogelijk is. In de lutherse traditie zit doorgaans meer vrolijkheid dan in de calvinistische, maar wat we vanavond voorgeschoteld krijgen is van een onbegrijpelijk triestheid. In de aloude liturgie van de kerk overheerst in deze tijd juist de vreugde omdat de messias is verschenen, als sterrenlicht, als dopeling in de Jordaan, als bruidegom, als degene die ons bestaan weer vlot trekt, die aan ons leven de belofte teruggeeft, die het feestelijke inbrengt in ons pijnlijke tekort. Liederen en gebeden zeggen dat wereld nu nooit meer zonder licht is. Kijk naar buiten en neem het waar: het licht lijkt midden in de winter opnieuw geboren en neemt alsmaar toe. De oude kerkelijke gebedsteksten voor deze tijd spreken de verwachting uit dat ook ons eigen bestaan zal toenemen in helderheid, dat het schitterende licht dat is gaan stralen ons meer en meer zal vervullen.

Echter op zondag 20 januari 1726, waarop in Leipzig het evangelie gelezen wordt van de bruiloft te Kana, van boordevolle kruiken wijn die het antwoord zijn op eeuwenlange dorst, klinkt deze ronduit treurige cantate! De tekst, van de hand van Georg Christian Lehm, is al vreselijk. Maar Bach doet er in de muziek nog de nodige schepjes bovenop. Kan het nog erger? Ja hoor, de extremen van wat er aan muzikale expressie van ellende mogelijk is, worden uitgeprobeerd. Schrijnend zijn vooral de aria van de tenor (1) en de aria van de bas (5). De muziek doet pijn, doet huiveren. Melodielijnen bewegen zich angstig omlaag, vallen met ongemakkelijke sprongen, intervallen zijn vreemd en moeilijk, verminderd of overmatig.

Wat een troosteloosheid. Waarom toch? Net of de feesten van Kerstmis en Epifanie (Driekoningen) volkomen losstaan van onze werkelijkheid, die onveranderd smartelijk blijft. Net of het nieuwe geen verbinding met ons alledaagse leven tot stand weet te brengen. We stuiten op een christendom dat alleen maar kan verwijzen naar ‘misschien ooit een keer’, ‘later’ of ‘in de hemel’. Want er is geen sprake van een ‘heden’, het uur is nog niet gekomen, het feestelijke blijft op grote afstand. Wat herders en wijzen ooit hebben gevonden zoeken wij nu tevergeefs. Met een van de cantates uit de Paastijd hebben we dat hier ook al eens beleefd (cantate 87 ‘Bisher habt ihr nichts gebeten in meinem Namen’, 9 mei 2010): dat dadelijk na het blijde feest weer de ellende opklinkt van een werkelijkheid die droevig was en is en blijft.

In de bijbelse traditie en de traditie van de vroege kerk is er tenminste nog de voortdurende spanning tussen ‘nu al’ en ‘nog niet’. Die spanning lijkt in de cantate geheel verdwenen. Er is geen sprake van ‘nu al’, het is er gewoon ‘nog niet’, nog lang niet, de beloofde feestelijkheid is nog heel ver weg, is niet te grijpen.

Ja, wel lijken de muziekinstrumenten in het treurige koraal halverwege de cantate (3) te putten uit een verborgen hoopvolle laag: de plotseling heldere begeleidende muziek hoopt meer dan de tekst vermag; muzikaal wringt er even niets meer. En in het recitatief van de sopraan (4) is er op het eind sprake van dat de bittere alsemdrank in onze levensbeker zou kùnnen veranderen in wijn van de vreugde. Je mag je ermee troosten, zo klinkt het, dat dat in principe bij God mogelijk is. Richt je om troost te vinden naar de hemel, zingt de bas in zijn aria (5). Vreugdevol licht zou dan zomaar bij je kunnen binnenkomen. Maar ‘het gaat zoals het gaat’ (koraal, 6), je moet het maar geloven en voorlopig heb je niet echt iets in handen.

Dat juist de grootste treurigheid weergaloze muziek oplevert, is wat wij van Bach mogen verwachten. Het wordt dus toch smullen vanavond. Ik wens u dan ook veel smartelijk genoegen.


Henk Gols