Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 25 'Es ist nichts Gesundes an meinem Leibe'

Petruskerk,
14 september 2014

1. Openingskoor 

Es ist nichts Gesundes an meinem Leibe vor deinem Dräuen

und ist kein Friede in meinen Gebeinen vor meiner Sünde. (Psalm 38:4)

2. Recitatief (tenor)

Die ganze Welt ist nur ein Hospital,

Wo Menschen von unzählbar großer Zahl
Und auch die Kinder in der Wiegen

An Krankheit hart darniederliegen.

Den einen quälet in der Brust

Ein hitzges Fieber böser Lust;

Der andre lieget krank

An eigner Ehre hässlichem Gestank;

Den dritten zehrt die Geldsucht ab

Und stürzt ihn vor der Zeit ins Grab.

Der erste Fall hat jedermann beflecket

Und mit dem Sündenaussatz angestecket.

Ach! dieses Gift durchwühlt auch meine Glieder.

Wo find ich Armer Arzenei?

Wer stehet mir in meinem Elend bei?

Wer ist mein Arzt, wer hilft mir wieder?


3. Aria (bas)

Ach, wo hol ich Armer Rat?

Meinen Aussatz, meine Beulen

Kann kein Kraut noch Pflaster heilen

Als die Salb aus Gilead.

Du, mein Arzt, Herr Jesu, nur

Weißt die beste Seelenkur.

4. Recitatief (sopraan) 

O Jesu, lieber Meister,

Zu dir flieh ich;

Ach, stärke die geschwächten Lebensgeister!

Erbarme dich,

Du Arzt und Helfer aller Kranken,

Verstoß mich nicht

Von deinem Angesicht!

Mein Heiland, mache mich von Sündenaussatz rein,

So will ich dir
Mein ganzes Herz dafür

Zum steten Opfer weihn

Und lebenslang vor deine Hülfe danken.

5. Aria (sopraan)

Öffne meinen schlechten Liedern,

Jesu, dein Genadenohr!

Wenn ich dort im höhern Chor

Werde mit den Engeln singen,

Soll mein Danklied besser klingen.

6. Slotkoraal

Ich will alle meine Tage
Rühmen deine starke Hand,
Dass du meine Plag und Klage
Hast so herzlich abgewandt.
Nicht nur in der Sterblichkeit
Soll dein Ruhm sein ausgebreit’:

Ich wills auch hernach erweisen
Und dort ewiglich dich preisen.

En het gebeurde,
toen hij naar Jeruzalem reisde,
dat hij midden door Samaria en Galilea trok.
En toen hij in een marktvlek kwam,
kwamen hem tien melaatse mannen tegemoet;
ze stonden van verre
en verhieven hun stem en zeiden:

Jezus, lieve meester, ontferm u over ons!

(Lucas 11:11-13, naar de vertaling van Luther)

Zo luidt het begin van het evangelie voor deze Veertiende zondag na Trinitatis. Tien mannen. Hun huid is aangevreten. In de cantate staan ze voor een bezoedelde en beschadigde mensheid, een getraumatiseerde wereld. ‘O Jezus, lieve meester’ — zo begint de sopraan haar recitatief en maakt ze zodoende de uitroep van de tien tot de schreeuw van ons allemaal. Hier zijn wij en hij is daar. Wij vol gekke plekken en builen, stinkend. En hij, de arts, de helper?

In de cantate komt hij het sublieme weefsel van het openingskoor binnen op de woordeloze melodie van een koraal. Welk koraal? De bekende melodie (van Hans Leo Hassler) wordt voor verschillende koraalteksten gebruikt. De melodie roept hoe dan ook iets op van begrip en troost. Zoals Jezus in het evangelie nog niets gezegd heeft als de melaatse mannen op een afstand voor hem staan en hem vragen om ontferming, zoals hij er eerst alleen maar woordeloos is, zo meldt zich zonder woorden meteen al in het begin een verlossende melodie. Nog voor de rauwe tekening van de aangetaste mensheid in het recitatief van de tenor, nog voordat de vraag geformuleerd wordt naar de mogelijkheid van herstel, is er een antwoord hoorbaar bij wijze van muziek, van een lied ohne Wörter.

Ook heel de verdere cantate maakt duidelijk dat in de muziek de oplossing ligt: via de muziek komt Christus en daarmee ons herstel nabij. Het zingen is de weg is naar een nieuwe zuiverheid. Want, zo laat de sopraan in haar vrolijke, dansende aria (5) horen, al zingend gaat het van gebrekkigheid naar iets hogers, naar iets dat ooit geweldig klinkt. We bevinden ons dan in de hoge sfeer van engelen en grote dankbaarheid.

Ach beste Bach, wat laat je ons in onze ellende nu al prachtig zingen en musiceren. Maar vindt je misschien je eigen muziek wellicht nog onder de maat? Schitterend en blijmoedig zingt de sopraan over haar ‘slechte’ liederen. Het verlangen in haar zingen maakt een opening naar een toekomstige nog betere kwaliteit.

Na de aria volgt onmiddellijk en meesterlijk het slotkoraal. Heel de gemeente mag nu meedoen met het zingen, zo was het al in Bachs dagen. Je stemt in, hardop of in de geest. En ook al denk je, net als de sopraan: het lijkt nergens op, de melodie zal je dragen, in de melodie komt de genezing van je geschondenheid naar je toe, in jouw slechte zingen gaat het open naar iets wonderschoons, iets eeuwigs.

Zo laat Bach ons via de muziek uit een ziek script, uit onze groezeligheid hoopvol tevoorschijn komen. Zingend.


Henk Gols