Website Henk Gols

Cantate 27, ‘Wer weiß, wie nahe mir mein Ende’

Petruskerk,
12 oktober 2014

1. Openingskoor / recitatieven 


Wer weiß, wie nahe mir mein Ende?


  sopraan

  Das weiß der liebe Gott allein,

  Ob meine Wallfahrt auf der Erden

  Kurz oder länger möge sein.

Hin geht die Zeit, her kommt der Tod,

  alt
  Und endlich kommt es doch so weit,

  Dass sie zusammentreffen werden.

Ach, wie geschwinde und behände

Kann kommen meine Todesnot!


  tenor
  Wer weiß, ob heute nicht

  Mein Mund die letzten Worte spricht.

  Drum bet ich alle Zeit:

Mein Gott, ich bitt durch Christi Blut,

Machs nur mit meinem Ende gut!


2. Recitatief (tenor)



Mein Leben hat kein ander Ziel,

Als dass ich möge selig sterben

Und meines Glaubens Anteil erben;

Drum leb ich allezeit

Zum Grabe fertig und bereit,

Und was das Werk der Hände tut,

Ist gleichsam, ob ich sicher wüsste,

Dass ich noch heute sterben müßte:

Denn Ende gut, macht alles gut!
 

3. Aria (alt)

Willkommen! will ich sagen,

Wenn der Tod ans Bette tritt.
  Fröhlich will ich folgen, wenn er ruft,
  In die Gruft,

  Alle meine Plagen
  Nehm ich mit.
 

4. Recitatief (sopraan)


Ach, wer doch schon im Himmel wär!

Ich habe Lust zu scheiden

Und mit dem Lamm,

Das aller Frommen Bräutigam,

Mich in der Seligkeit zu weiden.

Flügel her!

Ach, wer doch schon im Himmel wär!
 

5. Aria (bas) 


Gute Nacht, du Weltgetümmel!

  Jetzt mach ich mit dir Beschluss;

  Ich steh schon mit einem Fuß

  Bei dem lieben Gott im Himmel.
 

6. Slotkoraal 


Welt, ade! ich bin dein müde,

Ich will nach dem Himmel zu,

Da wird sein der rechte Friede

Und die ewge, stolze Ruh.

Welt, bei dir ist Krieg und Streit,

Nichts denn lauter Eitelkeit,

In dem Himmel allezeit

Friede, Freud und Seligkeit.

Om te beginnen een gedeelte uit het evangelie (Lucas 7:11-17) dat in de lutherse traditie gelezen wordt op de zondag (de 16 na Trinitatis) waarvoor Bach deze cantate van vanavond geschreven heeft:

Het geschiedt vervolgens 
dat [Jezus] verder trekt 
naar een stad die Naïn heet; 
met hem meegetrokken zijn 
zijn leerlingen en een talrijke schare.
Met dat hij de poort van de stad nadert,– 
zie, daar is net een gestorvene uitgedragen, 
de eniggeboren zoon van zijn moeder, 
die weduwe is; 
een niet geringe schare uit de stad 
is met haar.
Als de Heer haar ziet 
raakt alles in hem over haar bewogen, 
en hij zegt tot haar: 
ween niet!
Hij komt erop af 
en grijpt de open kist vast; 
de dragers blijven stilstaan 
en hij zegt:
jongen, ik zeg je, word wakker!

(vertaling Naardense Bijbel)

Word wakker!

Iedereen met een beetje gevoel voor literatuur begrijpt dat hier geen banaal wonderverhaal wordt verteld — dat dan vervolgens natuurlijk weer niet waar kan zijn. De emotie die in het verhaal zit komt zomaar twee millennia later bij ons binnen. Het verhaal heeft dus een dieptelaag en is daarmee tijdloos. Word wakker! Alsof het leven opnieuw zou kunnen beginnen.

Via het geheimzinnige, geladen openingskoor met zijn verdrietige zuchten worden worden we bij het gegeven van de eindigheid van het leven bepaald. We horen de eerste strofe van een kerklied (tekst van Ämilie Juliane von Schwarzburg-Rudolfstadt, 1688). Een kerklied heeft iets objectiefs, het gaat langer mee dan wijzelf, het is vervuld van een geloof en wijsheid die onze korte levenstijd te boven gaan. Tussen de regels van het kerklied klinken verschillende solistische stemmen. Die beschouwende stemmen hebben iets subjectiefs: ze vertolken de overwegingen van wie nu leven. Sopraan, alt en tenor nemen ons mee in het vaste, mysterieuze gegeven dat wij zullen sterven.

In het vervolg van de cantate wordt het leven losgelaten. In de aria van de alt en het recitatief van de sopraan gaat het loslaten haast kinderlijk eenvoudig. In het loslaten sprankelt iets vrolijks (aria van de alt). Sterven is een opwiekend verlangen (recitatief van de sopraan). In de aria van het bas wordt met een mengeling van weemoed en heftige beslistheid van het aardse gedoe afscheid genomen: goede nacht, kouwe drukte!

Het leven wordt losgelaten om het leven te kunnen vinden. In het loslaten gaat de cantate boeddhistisch ver.


Het intrigeert dat deze cantate zo ongegeneerd en ongeremd ingaat tegen de huidige tijdgeest: tegen de krampachtigheid waarmee wij alles uit dit leven proberen te halen. In de beleving van Bach en zijn tekstschrijver staan we met onze beperktheid altijd en uiteindelijk aan de drempel van een mateloze ruimte. Het leven zit niet het grijpen wat we kunnen, maar in het loslaten. Het loslaten geeft toegang tot de dieptelaag waarin we ‘word wakker!’ horen.

De ruimte van het loslaten vult zich met prachtige muziek. Zou het altijd zo gaan? In elk geval zingen wij ons vanavond zomaar een wijde hemel binnen van ‘vrede, vreugde en zaligheid’ (slotkoraal, in een zetting van Johann Rosenmüller, cantor van de Leipziger Thomaskirche van 1642-1655).


Henk Gols