Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 5, ‘Wo soll ich fliehen hin’

Petruskerk,
11 oktober 2015

1. Koor

Wo soll ich fliehen hin,
Weil ich beschweret bin
Mit viel und großen Sünden?
Wo soll ich Rettung finden?
Wenn alle Welt herkäme,
Mein Angst sie nicht wegnähme.

2. Recitatief (bas)

Der Sünden Wust hat mich nicht nur befleckt,
Er hat vielmehr den ganzen Geist bedeckt,
Gott müßte mich als unrein von sich treiben;
Doch weil ein Tropfen heilges Blut
So große Wunder tut,
Kann ich noch unverstoßen bleiben.
Die Wunden sind ein offnes Meer,
Dahin ich meine Sünden senke,
Und wenn ich mich zu diesem Strome lenke,
So macht er mich von meinen Flecken leer.

Aria (tenor):

Ergieße dich reichlich, du göttliche Quelle,
Ach, walle mit blutigen Strömen auf mich!
Es fühlet mein Herze die tröstliche Stunde,
Nun sinken die drückenden Lasten zu Grunde,
Es wäschet die sündlichen Flecken von sich.

4. Recitatief (alt)

Mein treuer Heiland tröstet mich,
Es sei verscharrt in seinem Grabe,Was ich gesündigt habe;Ist mein Verbrechen noch so groß,Er macht mich frei und los.
Wenn Gläubige die Zuflucht bei ihm finden,
Muss Angst und Pein
Nicht mehr gefährlich sein
Und alsobald verschwinden;
Ihr Seelenschatz, ihr höchstes Gut
Ist Jesu unschätzbares Blut;
Es ist ihr Schutz vor Teufel, Tod und Sünden,
In dem sie überwinden.

5. Aria (bas)

Verstumme, Höllenheer,
Du machst mich nicht verzagt!
Ich darf dies Blut dir zeigen,
So musst du plötzlich schweigen,
Es ist in Gott gewagt.

6. Recitatief (sopraan)

Ich bin ja nur das kleinste Teil der Welt,
Und da des Blutes edler Saft
Unendlich große Kraft
Bewährt erhält,
Dass jeder Tropfen, so auch noch so klein,
Die ganze Welt kann rein
Von Sünden machen,
So lass dein Blut
Ja nicht an mir verderben,
Es komme mir zugut,
Dass ich den Himmel kann ererben.

7. Koor

Führ auch mein Herz und Sinn
Durch deinen Geist dahin,
Dass ich mög alles meiden,
Was mich und dich kann scheiden,
Und ich an deinem Leibe
Ein Gliedmaß ewig bleibe.

IMG 3994

Het prettige van de Bachcantates is dat we als publiek geheel onszelf kunnen zijn. We hoeven ons niet bijzonder netjes aan te kleden, we hoeven als we vanmiddag bij de thee gemorst hebben niet gauw nog even een schoon overhemd aan te trekken, onze schoenen hoeven niet speciaal gepoetst. Sowieso is het niet nodig ons beter voor te doen dan we zijn. Want kijk maar in de spiegel van de cantate van vanavond: we zien onszelf vol vlekken, het ziet er nogal groezelig uit. Zo zijn we, zo is het. Nee doe maar niet alsof dat niet geldt voor u: ook u bent niet smetteloos, het is niet eens die ene vlek, van top tot teen ziet u er niet zo helder uit — om het maar zachtjes uit te drukken.

Het is nu eenmaal zo. We gaan niet krampachtig doen. We lossen het probleem van onze bezoedeling namelijk zelf niet op.

We hebben een vlekoplosser nodig, een totaal reinigingsmiddel. Bij Albert Heijn aan de Molenweg verkopen ze Ecover, een plantaardig reinigingsmiddel dat het milieu zoveel mogelijk spaart. De gebruiksaanwijzing vermeldt: ‘Een héél klein beetjes allesreiniger maakt héél veel schoon.’

De tekst op de flacon riekt naar plagiaat. Luisteren ze misschien bij Ecover naar de cantates van Bach? Het zou kunnen. In de cantate van vanavond is er immers ook maar een héél klein beetje nodig om héél veel schoon te maken. Het is alleen maar een druppel bloed. Eén druppel en we kennen onszelf niet meer terug.

De druppel komt uit de wonden Christus. Een bloeddruppel die een bron is en een zee tegelijk. Een krachtig bruistablet voor een oceaan van vuiligheid.

Die druppel reinigt, zingt de cantate, en maakt tevens vuil-afstotend.


Soms is er maar weinig nodig om het te laten verspringen: van donker naar licht, van vies naar schoon, van onhelder naar zuiver.

Eén druppel maar, een héél klein beetje. Of met een ander gegeven uit de cantate: er hoeft maar één bijzondere draad door het textiel van ons leven geweven te worden en het ziet er totaal anders uit. Onlangs heb ik deze zwarte jas gekocht, speciaal om aan te trekken als ik ga wandelen. Sportief, licht van gewicht en toch warm genoeg. Zwart is geen vrolijke kleur, maar de rits is rood. En die ene rode streep haalt de hele jas op. Zo is het mogelijk dat er een streng door het weefsel van ons leven loopt die maakt dat het geheel er anders uitziet. Die rode rits, die ene draad, de geraffineerde oplossing horen we straks in het recitatief van de alt. Het is precies het midden van de cantate. Door het midden van de cantate loopt muzikaal die rode rits: prachtig en woordeloos weeft zich de koraalmelodie door de gezongen tekst.


Weinig is genoeg. Veel is al gauw teveel. Bach helpt ons het weinige te vinden dat ons schoon en helder maakt.



Henk Gols



Een eerdere bespreking van deze cantate.