Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 166  ‘Wo gehest du hin’

Petruskerk, 14 mei 2017

1. Aria (bas) 

Wo gehest du hin?

2. Aria (tenor) 

Ich will an den Himmel denken
Und der Welt mein Herz nicht schenken.
   Denn ich gehe oder stehe,
   So liegt mir die Frag im Sinn:
   Mensch, ach Mensch, wo gehst du
   hin?

3. Koraal (sopraan) 

Ich bitte dich, Herr Jesu Christ,
Halt mich bei den Gedanken
Und lass mich ja zu keiner Frist
Von dieser Meinung wanken,
Sondern dabei verharren fest,
Bis dass die Seel aus ihrem Nest
Wird in den Himmel kommen.

 4. Recitatief (bas0 

Gleichwie die Regenwasser bald  
   verfließen
Und manche Farben leicht verschießen,
So geht es auch der Freude in der Welt,
Auf welche mancher Mensch so viele
   Stücken hält;
Denn ob man gleich zuweilen sieht,
Dass sein gewünschtes Glücke blüht,
So kann doch wohl in besten Tagen
Ganz unvermut' die letzte Stunde schlagen.

 5. Aria (alt) 

Man nehme sich in acht,
Wenn das Gelücke lacht.
   Denn es kann leicht auf Erden
   Vor abends anders werden,
   Als man am Morgen nicht gedacht.

6. Koraal 

Wer weiß, wie nahe mir mein Ende!
Hin geht die Zeit, her kommt der Tod;
Ach wie geschwinde und behände
Kann kommen meine Todesnot.
Mein Gott, ich bitt durch Christi Blut:
Mach's nur mit meinem Ende gut!

Doorgaans probeer ik de teksten van de cantate van Bach positief te duiden. De muziek is prachtig niet ondanks de teksten die worden gebruikt, nee in hoge mate dankzij de teksten, die voor Bach een rijke inspiratiebron vormden. Het tekstmateriaal komt uit een geheel ander tijd dan de onze. Een vertaalslag is nodig. Maar als we even ons best doen, zien we dat in de cantates geen onzin gezongen wordt.

Maar vandaag val ik de tekst van de cantate af. Bach kan met de tekst blijkbaar uit de voeten, maar zelf heb ik met de inhoud ervan een probleem.

Al eerder is me opgevallen dat men in Bachs tijd niet altijd goed overweg kon met de Paastijd. De Paastijd, de vijftig dagen vanaf Pasen tot en met Pinksteren, is vanaf de vroege christelijke traditie een periode van grote vreugde. In de kerkelijke liturgie bloeit het halleluja als de bloemen op het veld, als de bloesem van de fruitbomen, de sering en de meidoorn. In het uitbundige halleluja van de Paastijd lacht hemelse vreugde zich binnen in ons bestaan.

Maar het lachen in deze cantate staat uitsluitend in een negatief daglicht. Wat ons toelacht komt niet uit de hemel. Het la-a-achen in de aria van de alt (5) komt uit verdachte hoek.

‘Waar ga je naartoe?’, met die vraag opent de cantate. Het antwoord op die vraag is een gedachte aan de hemel. In het antwoord wiekt onze ziel als een vogel uit zijn nest op naar de hemel. De hemel heeft dan toch weer betrekking op ons levenseinde, dat — we worden gewaarschuwd! — zomaar in kan treden. Hemel is wat we hopen te bereiken als we door de dood zijn heen gegaan. Alsof er pas na de dood gelachen kan worden.

Daarentegen is de hemel in de oorspronkelijke christelijke traditie niet uitsluitend iets van straks. Hemel staat voor een nieuwe werkelijkheid die zich op Pasen triomfantelijk meldt. Hemel staat voor een geheel nieuw gezichtspunt, dat vreugde in onze dagen legt en ons leven hier en nu tot bloei brengt. Hemel is de inspirerende bovenstroom, de borrelende dieptelaag, de sprankelende bron, de plaagstoot van de hoop, de felle speldenprik van de vreugde in ons verdriet. Hemel is niet pas na dezen maar is iets gelijktijdigs: de verrassing die om de hoek ligt, de mogelijkheid die zich aan ons presenteert en nu in vertrouwen gegrepen wil worden.

In de Paastijd gaan we dus niet somberen en laten we het leven niet overschaduwen door de dood, die — jazeker — onverwacht kan intreden.

‘Mach’s nur mit meinem Ende gut’, is de laatste regel van het slotkoraal (6): ‘Maak toch mijn einde goed’. Nee, niet pas het einde. Want het is er al, zingend komt het naar ons toe, het laat zich aanraken en proeven.

Zing en lach — cantate!, ha-ha-ha-halleluja.