Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 84, ‘Ich bin vergnügt mit meinem Glücke’

Petruskerk, 13 maart 2016

1. Aria (sopraan)

Ich bin vergnügt mit meinem Glücke,
Das mir der liebe Gott beschert.
    Soll ich nicht reiche Fülle haben,
    So dank ich ihm vor kleine Gaben
    Und bin auch nicht derselben wert.

2. Recitatitief (sopraan)

Gott ist mir ja nichts schuldig,
Und wenn er mir was gibt,
So zeigt er mir, dass er mich liebt;
Ich kann mir nichts bei ihm verdienen,
Denn was ich tu, ist meine Pflicht.
Ja! wenn mein Tun gleich noch so gut
  geschienen,
So hab ich doch nichts Rechtes ausgericht’.
Doch ist der Mensch so ungeduldig,
Dass er sich oft betrübt,
Wenn ihm der liebe Gott nicht überflüssig gibt.
Hat er uns nicht so lange Zeit
Umsonst ernähret und gekleidt
Und will uns einsten seliglich
In seine Herrlichkeit erhöhn?
Es ist genug vor mich,
Dass ich nicht hungrig darf zu Bette gehn.

3. Aria (sopraan) 

Ich esse mit Freuden mein weniges Brot
Und gönne dem Nächsten von Herzen das Seine.
    Ein ruhig Gewissen, ein fröhlicher Geist,
    Ein dankbares Herze, das lobet und
    preist,
    vermehret den Segen, verzuckert die
    Not.

4. Recitatitief (sopraan) 

Im Schweiße meines Angesichts
Will ich indes mein Brot genießen,
Und wenn mein Lebenslauf,
Mein Lebensabend wird beschließen,
So teilt mir Gott den Groschen aus,
Da steht der Himmel drauf.
O! wenn ich diese Gabe
zu meinem Gnadenlohne habe,
So brauch ich weiter nichts.

5. Slotkoraal 

Ich leb indes in dir vergnüget
Und sterb ohn alle Kümmernis,
Mir genüget, wie es mein Gott füget,
Ich glaub und bin es ganz gewiss:
Durch deine Gnad und Christi Blut
Machst du's mit meinem Ende gut.

Godsdienst als opium van het volk. De kerk om het volk koest te houden en het te leren tevreden te zijn met zoals het nu eenmaal is. Geen kapsones, niet proberen hogerop te komen, niet jezelf willen bevrijden, geen nieuwe ruimte betreden, geen grenzen overschrijden, geen barrières willen nemen, geen emancipatie. Koest! Wees tevreden met de plek die je is toebedeeld, vóeg je, schik je, klaag niet, schreeuw niet, huil niet, vecht niet, berust.

Van Picander, de dichter die ook de tekst heeft geleverd voor Bachs Matthäus Passion, is een cantatetekst bekend die wel lijkt op de tekst van cantate 84. ‘Ich bin vergnügt mit meinem Stande’, zo begint Picander. ‘Tevreden met mijn stand.’ Dat is wel heel kras. Alsof je maar beter niet kunt tornen aan rangen en standen in de samenleving en je je tevreden neer zou moeten leggen bij bestaande verhoudingen en rolpatronen, bij gangbare etikettenplakkerij en beloningssystemen. Alsof het getuigt van een wijze ordening dat er bankdirecteuren en schoonmaaksters zijn. Alsof het naast elkaar van schatrijk en straatarm een blij gegeven is. Meisje uit de Wolfskuil, weet je plek. Fabrieksarbeidster in Pakistan, jouw schaamteloze uitbuiting houdt de kosmos in evenwicht.


‘Ik ben tevreden met mijn stand’ — mogelijk dat Bach die tekst van Picander ogen heeft gehad en toen heeft besloten: ‘ja maar dat kan zo niet’ en ervan heeft gemaakt ‘ik ben tevreden met mijn klein geluk’. Dan kun je nog wel degelijk misstanden in de samenleving bestrijden en je arbeidscontract aanvechten, dan kun je maatschappelijk strijdbaar blijven en voor jezelf opkomen, maar op een ánder niveau welzeker weet hebben van een o.k.-gevoel: stil geluk voor jezelf,in het gewone intermenselijke contact en in de verborgen omgang met God. Geluk ondanks alles om je heen wat niet klopt en je terecht woedend maakt.

Want Bach was niet zo gelijkmoedig. Hij liet van zich horen als hij vond dat hij als musicus onvoldoende werd gewaardeerd en uitbetaald. Hij zette niet zomaar zijn handtekening onder een nieuw contract en kon zich er uitermate over opwinden als het belang van cultuur en kerkmuziek werd onderschat, als daar te weinig budget voor was, als er niet de overheden in kwaliteit werd geïnvesteerd. ‘Waar je vak, je ambt, je levensroeping in het geding is, daar moet je kwaad worden’, heeft Luther gezegd — en in een bijbelcommentaar (Calovbijbel) met precies dat Luthercitaat heeft Bach in de marge een ‘N.B.’ neergezet: nota bene!


Zo, dan kunnen we ons nu openen voor het eenvoudige geluk dat zo vrolijk en ragfijn zingt in twee prachtige aria’s. Ik hoef niet zoveel, zingt het. Leven is meer dan presteren. Het gaat niet om wat ik verdien maar wat ik ontvang. Genoeg is genoeg. Ik hoef niet met anderen te concurreren, ik blijf er rustig onder als een ander meer binnen weet te halen dan ik. Wat ben ik blij met die rust. Mijn leven zingt van dankbaarheid.


De cantate is geschreven voor een zondag in de Voorvasten, de periode in het lutherse kerkelijke jaar die aan de Vasten voorafgaat (Septuagesima, 9 februari 1727). In de kerk werd het evangelie gelezen waarin Jezus de parabel vertelt van de arbeiders in de wijngaard. Sommige arbeiders hebben een hele dag gewerkt en anderen maar een paar uur. Aan het eind van de dag krijgen ze uitbetaald: het blijkt dat ze allemaal hetzelfde bedrag ontvangen — het geldstuk uit het recitatief vóór het slotkoraal.

Ongeacht wat we gepresteerd hebben, ongeacht status en milieu en kansen, leven we van dezelfde goedheid. Een mateloze goedheid voorbij alle verdienste en berekening.


Henk Gols