Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 104  ‘Du Hirte Israel, höre’

Petruskerk, 12 mei 2019

1. Openingskoor 

'Du Hirte Israel, höre, der du Joseph hütest wie der Schafe, erscheine, der du sitzest über Cherubim.'

 2. Recitatief (tenor)

Der höchste Hirte sorgt vor mich,
Was nützen meine Sorgen?
Es wird ja alle Morgen
Des Hirten Güte neu.
Mein Herz, so fasse dich,
Gott ist getreu.

3. Aria (tenor) 

Verbirgt mein Hirte sich zu lange,
Macht mir die Wüste allzu bange,
Mein schwacher Schritt eilt dennoch fort.
    Mein Mund schreit nach dir,
    Und du, mein Hirte, wirkst in mir
    Ein gläubig Abba durch dein Wort.

 4. Recitatief (bas) 

Ja, dieses Wort ist meiner Seelen Speise,
Ein Labsal meiner Brust,
Die Weide, die ich meine Lust,
Des Himmels Vorschmack, ja mein alles heiße.
Ach! sammle nur, o guter Hirte,
Uns Arme und Verirrte;
Ach lass den Weg nur bald geendet sein
Und führe uns in deinen Schafstall ein!

 5. Aria (bas) 

Beglückte Herde, Jesu Schafe,
Die Welt ist euch ein Himmelreich.
    Hier schmeckt ihr Jesu Güte schon
    Und hoffet noch des Glaubens Lohn
    Nach einem sanften Todesschlafe.

 6. Slotkoraal

Der Herr ist mein getreuer Hirt,
dem ich mich ganz vertraue,
Zu Weid er mich, sein Schäflein, führt,
Auf schöner grünen Aue,
Zum frischen Wasser leit' er mich,
Mein Seel zu laben kräftliglich
Durchs selig Wort der Gnaden.









BWV 104 Du Hirte Israel, höre

 

‘De grazige weiden, de stille wateren’ spreken tot in de poëzie van Rutger Kopland tot de verbeelding. Ook in de periode van de barok, de tijd van Bach, riep men in literatuur, beeldende kunst en muziek graag de pastorale sfeer op van lieflijkheid en vrede. Als losse individuen gaan wij rusteloos alle kanten op, maar in alle tijden is er ook het verlangen naar samenhang, thuiskomen, een plek waar we samen kunnen blijven.

Het herdersmotief behoort tot de vroegste voorstellingen uit de christelijke traditie. Van het begin van de 3e tot de 6e eeuw wordt het motief in schilderingen (bijvoorbeeld in de Romeinse catacomben) en op reliëfs veelvuldig gebruikt. Daarna is het een hele tijd weg — totdat het terugkeert in de barok.

Al in de Bijbel komt God als herder voor. Daarom heet ook Jezus herder, omdat hij geldt als beeld van God bij uitstek. Het herderschap van God en Jezus vormt een felle aanklacht tegen een gebrek aan herderschap bij actuele koningen en keizers.

De cantate opent met het begin van psalm 80: ‘Gij herder van Israël, hóór! / gij die Jozef als schapen hoedt, verschijn! / gij die zetelt op de cherubiem.’ ‘Jozef’ is de aanduiding van de noordelijke stammen van Israël. Lees je de hele psalm, dan blijkt het te gaan om een verwoest volk, kaalgeplukt, vertrapt en uit de geschiedenis weggeschroeid.
De uitbeeldingen van de goede herder in de catacomben dateren uit eeuwen dat christenen van overheidswege bij tijd en wijle heftig werden vervolgd.

Bij wie zijn mensen veilig?

Altijd en overal weer ervaren mensen aan den lijve dat ze niet veilig zijn bij degenen die bestuurlijke verantwoordelijkheid dragen. Uitgebuit en uitgekleed zijn ze onderworpen aan de bizarre grillen en het brutale egoïsme van wie zijn doorgestoten tot de top. Mensen raken als schapen verstrooid, de samenleving desintegreert. Als gewoon mens moet jezelf zien te redden, maar velen ontbreekt het aan de mogelijkheden daartoe.

Vanwege het totale gebrek aan verantwoordelijkheidszin, respect en mededogen bij wie in de samenleving de dienst uitmaken, schreeuwt psalm 80: ‘Gij herder van Israël, hóór! / gij die Jozef als schapen hoedt, verschijn! / gij die zetelt op de cherubiem.’ Cherubim zijn de gevleugelde wezens op de heilige schrijn, de zogenaamde ark, in het binnenste van het Israëlitische heiligdom. Zij omvleugelen de leegte, de plek waar God is. God als lege plek is het tegendeel van grote ego’s die schaamteloos alle ruimte innemen. God is de lege plek waar je graag zou willen blijven. Hij is de ruimte die zich vult met Bachs schitterende openingskoor.

‘Hoor!’, ‘verschijn!’, roept de cantate de psalm na. Dat roepen is eredienst op z’n best, is een klemmende vertolking van menselijk verlangen naar levensruimte, naar eerbiedige aandacht en liefdevolle zorg, naar verbondenheid en thuiskomen. ‘Jij, herder van Israël, hóór! verschijn!’, want elders worden wij absoluut niet gehoord; als wij roepen geeft niemand thuis.

De cantate eindigt met een bewerking van opnieuw een psalm, de psalm bij uitstek van grazige weiden, stille wateren: ‘De Heer is mijn trouwe herder’ (psalm 23). Is het een idyllisch wegdromen? Nee, we weten nu dat het lieflijk landschap van psalm en cantate een aanklacht vormt tegen de puinhopen die geperverteerde macht overal en steeds weer willens en wetens aanricht. De menselijke ziel zingt haar verlangen uit. Ze vermoedt een andere mogelijkheid. Via Bijbel, kerk en kunst staat het beeld van de goede herder onuitwisbaar geschilderd op de wanden van ons bestaan: kritisch en troostend heeft het zich genesteld in de dieptelaag van onze cultuur en in de catacomben van ons eigen hart.


Henk Gols