Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 135 ‘Ach Herr, mich armen Sünder'


Petruskerk, 12 maart 2017

1. Koor 

Ach Herr, mich armen Sünder
Straf nicht in deinem Zorn,
Dein' ernsten Grimm doch linder,
Sonst ist's mit mir verlorn.
Ach Herr, wollst mir vergeben
Mein Sünd und gnädig sein,
Dass ich mag ewig leben,
Entfliehn der Höllenpein.

2. Recitatief (tenor) 

Ach heile mich, du Arzt der Seelen,
Ich bin sehr krank und schwach;
Man möchte die Gebeine zählen,
So jämmerlich hat mich mein 
  Ungemach,
Mein Kreuz und Leiden zugericht;
Das Angesicht Ist ganz von Tränen
  aufgeschwollen,

Die, schnellen Fluten gleich, von
  Wangen abwärts rollen.
Der Seele ist von Schrecken angst und
  bange;
Ach, du Herr, wie so lange?

3. Aria (tenor)

Tröste mir, Jesu, mein Gemüte,
Sonst versink ich in den Tod,
Hilf mir, hilf mir durch deine Güte
Aus der großen Seelennot!
Denn im Tod ist alles stille,
Da gedenkt man deiner nicht.
Liebster Jesu, ist's dein Wille,
So erfreu mein Angesicht!

4. Recitatief (alt) 

Ich bin von Seufzen müde,
Mein Geist hat weder Kraft noch Macht,
Weil ich die ganze Nacht
Oft ohne Seelenruh und Friede
In großem Schweiß und Tränen liege.
Ich gräme mich fast tot und bin vor
  Trauern alt,
Denn meine Angst ist mannigfalt.

 5. Aria (bas) 

Weicht, all ihr Übeltäter,
Mein Jesus tröstet mich!
   Er lässt nach Tränen und nach Weinen
   Die Freudensonne wieder scheinen;
   Das Trübsalswetter ändert sich,
   Die Feinde müssen plötzlich fallen
   Und ihre Pfeile rückwärts prallen.

6. Koraal 

Ehr sei ins Himmels Throne
Mit hohem Ruhm und Preis
Dem Vater und dem Sohne
Und auch zu gleicher Weis
Dem Heilgen Geist mit Ehren
In alle Ewigkeit,
Der woll uns all'n bescheren
Die ewge Seligkeit.

Het tekstmateriaal voor deze cantate is ontleend aan een koraal, een kerklied, uit 1597. De dichter van dat kerklied is ene Cyriakus Schneegaß, een theoloog uit Weimar. Zijn lied is een vrije bewerking van een van de bijbelse psalmen. Psalm 6.

De psalmen zijn zo’n 2500 jaar oud. Ze vormen een verzameling schitterende, existentiële poëzie. Ze zijn zo op het menselijk lijf geschreven, zo beeldend, ze bevatten zoveel hoogte en diepte, dat de vreugde en het verdriet van de eeuwen er moeiteloos een plek in hebben gevonden. De psalmen hebben zich volgezogen met de pijn en het geluk van eindeloze generaties joden, christenen en anderszins. Het is wereldliteratuur, die niet uitgeput raakt en ons schokkend en troostend blijvend iets te zeggen heeft.

De psalmen zijn de eeuwen door vooral gezongen. Gereciteerd in de synagoges en in de kloosters. Gezongen fragmenten kregen een vaste plaats in de liturgie van de kerk van het Oosten en van het Westen. In allerlei toonaarden hebben de psalmen zich een weg gezongen door de tijd. Ze zijn verklankt in oude gregoriaanse toonsoorten, in muziek van de Renaissance, de Barok, de Romantiek, en als jazz-muziek. De Lassus, Schütz, Sweelinck, Mendelssohn, Pärt, talloze componisten gaan op hun eigen wijze met de onuitputtelijke psalmen aan de gang.


De bijbelse psalmen zijn niet berijmd; ze hebben hun eigen weerbarstige ritme, hun eigen puls. In de Reformatie dwong men de rauwe psalmtekst in een strofische vorm. Zo gebeurde het in het calvinisme, waar alle 150 psalmen psalmen werden getemd tot overzichtelijke strofische liederen met rijmende regels—waar overigens juweeltjes van Renaissance-melodieën bij werden gecomponeerd! Ook de lutheranen vormden een aantal psalmen om tot strofische liederen. De lutheranen gingen vrijer dan de calvinisten met de psalmtekst om. Ze maakten er uitgesproken christelijke liederen van. Zo deed ook Cyriakus Schneegaß, die psalm 6 letterlijk van de naam Jezus voorzag. En net als in kerk en klooster altijd al gebruik was, liet hij de psalm besluiten met een lofzegging aan de Drie-ene God, Vader, Zoon en heilige Geest.


De psalmparafrase van Schneegaß werd op zijn beurt door een ons onbekende auteur omgewerkt tot een cantatetekst, waar Bach vervolgens zijn muziek bij componeerde. We zijn inmiddels een eind bij het Hebreeuwse origineel vandaan. ‘Het is niet meer de psalm, het gedicht dat raast en schopt en hijgt en snikt’ (Willem Barnard), nee het is een beschaafd gebed worden, innig en dringend wel, en ja, bij Bach altijd prachtig.


Henk Gols ©