Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 154 ‘Mein liebster Jesus ist verloren'


Petruskerk, 8 januari 2017

1. Aria (tenor)

Mein liebster Jesus ist verloren:
O Wort, das mir Verzweiflung bringt,
O Schwert, das durch die Seele dringt,
O Donnerwort in meinen Ohren.

2. Recitatief (tenor) 

Wo treff ich meinen Jesum an,
Wer zeiget mir die Bahn,
Wo meiner Seele brünstiges Verlangen,
Mein Heiland, hingegangen?
Kein Unglück kann mich so empfindlich rühren,
Als wenn ich Jesum soll verlieren.

3. Koraal

Jesu, mein Hort und Erretter,
Jesu, meine Zuversicht,
Jesu, starker Schlangentreter,
Jesu, meines Lebens Licht!
Wie verlanget meinem Herzen,
Jesulein, nach dir mit Schmerzen!
Komm, ach komm, ich warte dein,
Komm, o liebstes Jesulein!

4. Aria (alt)

Jesu, lass dich finden,
Laß doch meine Sünden
Keine dicke Wolken sein,
Wo du dich zum Schrecken
Willst für mich verstecken,
Stelle dich bald wieder ein!

5. Arioso (bas)

Wisset ihr nicht, dass ich sein muss in dem, das meines Vaters ist ?

6. Recitatief (tenor)

Dies ist die Stimme meines Freundes,
Gott Lob und Dank!
Mein Jesu, mein getreuer Hort,
Läßt durch sein Wort
Sich wieder tröstlich hören;
Ich war vor Schmerzen krank,
Der Jammer wollte mir das Mark
In Beinen fast verzehren;
Nun aber wird mein Glaube wieder stark,
Nun bin ich höchst erfreut;
Denn ich erblicke meiner Seele Wonne,
Den Heiland, meine Sonne,
Der nach betrübter Trauernacht
Durch seinen Glanz mein Herze fröhlich macht.
Auf, Seele, mache dich bereit!
Du musst zu ihm
In seines Vaters Haus, hin in den Tempel ziehn;
Da lässt er sich in seinem Wort erblicken,
Da will er dich im Sakrament erquicken;
Doch, willst du würdiglich sein Fleisch und Blut genießen,
So musst du Jesum auch in Buß und Glauben küssen.

7. Aria (duet alt en tenor)

Wohl mir, Jesus ist gefunden,
Nun bin ich nicht mehr betrübt.
Der, den meine Seele liebt,
Zeigt sich mir zur frohen Stunden.
Ich will dich, mein Jesu, nun nimmermehr lassen,
Ich will dich im Glauben beständig umfassen.

8. Koraal

Meinen Jesum lass ich nicht,
Geh ihm ewig an der Seiten;
Christus lässt mich für und für
Zu den Lebensbächlein leiten.
Selig, wer mit mir so spricht:
Meinen Jesum lass ich nicht.

Een korte cantate. Het was winter. Koud was het in de kerken van Leipzig waar de cantates van Bach werden uitgevoerd, de Thomaskirche en de St.-Nicolai. En natuurlijk was nog maar net de grote kerstdrukte achter de rug. In de cantate voor de Eerste zondag na Epifanie wordt het koor ontzien: het hoeft slechts twee koralen te zingen, Bach spaart de krachten van zijn zangers.

Op deze zondag na 6 januari (Epifanie, Driekoningen) werd in Bachs tijd volgens een oud middeleeuws rooster gelezen van de twaalfjarige Jezus in de tempel (Lucas 2: 42-52). Het is het verhaal dat Jezus met zijn ouders de pelgrimstocht maakt naar Jeruzalem om daar het paasfeest te vieren. Als na het feest de terugreis wordt aanvaard, blijkt Jezus zoek. Zijn ouders keren terug naar Jeruzalem en vinden hem daar na drie dagen zoeken. Zo spant het evangelieverhaal een grote boog naar het moment dat Jezus ook na zijn dood zoek is; ook dan is er sprake van drie dagen van gemis. Jezus zegt tegen zijn ouders de cruciale woorden, gezongen door de bas in het arioso (5): ‘Wisten jullie niet dat ik moet zijn in dat wat van mijn Vader is?’ 

Het schrijnende verhaal van dit zoekgeraakte kind, deze verloren zoon, wordt in de cantate getransponeerd naar het niveau waarop wij ons allemaal bewegen. Mens zijn lijkt wel per definitie dat we onderweg tot onze verbijstering kwijtraken wat ons het liefste is en dus steeds weer op zoek moeten. Zoals zoveel cantates, gaat ook deze over de eeuwige zoektocht van de ziel. De ziel is wat ons verbindt met de muziek van Bach. Voor de ziel spelen geen tijdsdimensies. Mensen van alle tijden en overal zijn van binnen hetzelfde. Eeuwen geleden leefde je even gelukkig en gehavend, net als wij omarmde je en raakte je kwijt. De vertwijfeling, het ongeluk, de schrik, de droefheid die in de cantate tot uitdrukking worden gebracht, kunnen dan ook moeiteloos bij ons binnenkomen.

De cantate is niet alleen maar gemis en verdriet; ze neemt ons mee in een beweging van zoeken naar vinden, van diepgevoelde pijn naar uitbundige vreugde.

De ontwikkeling binnen de de cantate is duidelijk aan de aria’s af te lezen: de openingsaria van de tenor is de verdrietige klacht om het kwijt zijn; de aria van de alt wil op zoek om te vinden; de aria vóór het slotkoraal, een duet van tenor en alt, is een en al wervelende vreugde: wat een blijdschap in de muziek! — een blijdschap waarin alle instrumenten meedoen. Omdat gevonden is wat verloren was.

De liefste is verloren. Conform de oude christelijke mystieke traditie is de christusfiguur de verbeelding van het allerliefste. Als hij gevonden wordt, wervelen liefde, verliefdheid, blijde herkenning door de muziek. Waar is Christus, die allerliefste, te vinden? Volgens de cantate is hij daar de meesten van u niet of nauwelijks meer komen: in de kerk, waar zijn woord klinkt en waar hij ons ontmoet in het sacrament, in brood en wijn. Daar vind ik hem, daar hoor en zie ik hem, ik geniet hem, ik kus hem en omarm hem en laat hem nooit meer los.

Van een twaalfjarig jochie is in de cantate Christus tot liefste getransformeerd, die met de volwassen stem van de bas zingt dat hij in de dingen van zijn Vader moet zijn. Stevig klinkt dat, nadat in de aria ervoor alle grond onder de voeten lijkt verdwenen. Christus zelf geeft weer grond onder de voeten. Waar hij zich laat horen, heeft de omslag plaats: alles beweegt zich naar mateloze vreugde.


Ik wens ons toe dat onze arme zoekende ziel via deze cantate vreugde vindt.


Henk Gols ©