Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 32 ‘Liebster Jesu, mein Verlangen’

PETRUSKERK, 13 januari 2019

Dialoog tussen de ziel (sopraan)
en Jezus (bas)

1. Aria (sopraan) 

Liebster Jesu, mein Verlangen,
Sage mir, wo find ich dich?
Soll ich dich so bald verlieren
Und nicht ferner bei mir spüren?
Ach! mein Hort, erfreue mich,
Lass dich höchst vergnügt umfangen.

2. Recitatief (bas) 

Was ists, dass du mich gesuchet? Weißt du nicht, dass ich sein muss in dem, das meines Vaters ist?

3. Aria (bas) 

Hier, in meines Vaters Stätte,
Findt mich ein betrübter Geist.
    Da kannst du mich sicher finden
    Und dein Herz mit mir verbinden,
    Weil dies meine Wohnung heißt.

4. Recitatief (dialoog) 

(sopraan)
Ach! heiliger und großer Gott,
So will ich mir
Denn hier bei dir
Beständig Trost und Hülfe suchen.

(bas)
Wirst du den Erdentand verfluchen
Und nur in diese Wohnung gehn,
So kannst du hier und dort bestehn.

(sopraan)
Wie lieblich ist doch deine Wohnung,
Herr, starker Zebaoth;
Mein Geist verlangt
Nach dem, was nur in deinem Hofe prangt.
Mein Leib und Seele freuet sich
In dem lebendgen Gott:
Ach! Jesu, meine Brust liebt dich nur ewiglich.

(bas)
So kannst du glücklich sein,
Wenn Herz und Geist
Aus Liebe gegen mich entzündet heißt.

(sopraan)
Ach! dieses Wort, das itzo schon
Mein Herz aus Babels Grenzen reißt,
Fass' ich mir andachtsvoll in meiner Seele ein.

5. Aria (duet)

(sopraan en bas)
Nun verschwinden alle Plagen,
Nun verschwindet Ach und Schmerz.

(sopraan)
Nun will ich nicht von dir lassen,

(bas)
Und ich dich auch stets umfassen.

(sopraan)
Nun vergnüget sich mein Herz

(bas)
Und kann voller Freude sagen:

(beiden)
Nun verschwinden alle Plagen,
Nun verschwindet Ach und Schmerz!

6. Koraal 

Mein Gott, öffne mir die Pforten
Solcher Gnad und Gütigkeit,
Lass mich allzeit allerorten
Schmecken deine Süßigkeit!
Liebe mich und treib mich an,
Dass ich dich, so gut ich kann,
Wiederum umfang und liebe
Und ja nun nicht mehr betrübe.


Liefde—wat is het leven zonder liefde? Liefde is omarmen, kort en hevig eeuwigheid beleven, het mateloze. Even vergeet je alles wat je bedrukt en bedreigt, en dat je zo eenzaam was. Nu is het goed. ‘Nun verschwinden alle Plagen, / nun verschwinden Ach und Schmerz’, zingen de geliefden in hun dansende verstrengeling in het wervelende duet bijna op het eind van de cantate (5). Nooit meer wil ik bij je weg, steeds wil ik je vasthouden.

Maar de cantate begínt met het zoeken, omdat de liefste er niet is. Heb ik je, en ben ik je weer kwijt. Mocht ik ontvangen, moet ik meteen weer loslaten. Waren we samen, ben ik weer alleen. Waar vind ik je? Indringend geeft Bach in de openingsaria stem aan het verlangen. Zomaar resoneert de melodie van het verlangen in onze hedendaagse ziel.

De cantate is precies op deze datum, maar dan in 1726, uitgevoerd. In de Kersttijd is de geboorte van Christus gevierd. Hij verschijnt als een licht voor de wereld. Daar is hij. Maar op deze zondag las men in de lutherse kerk van Bach over de twaalfjarige Jezus die met zijn ouders meegaat naar de tempel in Jeruzalem om er het Paasfeest te vieren. Op de terugweg blijkt hij zich niet bij het reisgezelschap te bevinden. Hij is weg! Zijn ouders gaan naar hem op zoek, ze zoeken hem onder de reisgenoten, lopen naar Jeruzalem terug: waar is hij?

Je had hem op schoot, je koesterde hem, je had hem lief. ‘Wo ist denn dein Freund hingegangen?’ , zingt het in de Matthäus Passion. Omarmen en kwijtraken, zoeken en niet vinden en toch vinden en weer helemaal verliezen—het is het grote thema in het bijbelboekje Hooglied. Hooglied is een bundel oosterse liefdespoëzie. De liefde wordt er vrijmoedig,  verrukkelijk, in geuren en kleuren bezongen, maar er is ook de wanhoop omdat de liefste verdwenen is. Ik zoek je maar ik vind je niet.

In het joodse en christelijke geloof is de liefde niet voorbehouden aan jonge mensen in de prille bloei van hun leven. Liefde is voor alle leeftijden. De hartstochtelijke liefde van het Hooglied wordt geproefd in het geloof. God, Jezus, is de geliefde. Je leeft en je sterft deze geliefde tegemoet. Als u de geschriften leest van Hadewijch of Beatrijs van Nazareth slaan van het papier de vlammen u tegemoet. Prachtige vroege Nederlandse poëzie schrijven deze vrouwen uit de 13e eeuw. Sterke, zelfstandige vrouwen zijn het, die gevoelig en diepzinnig over de Minne schrijven, over de religieuze liefde. Zij staan in een al veel langere mystieke traditie, die ook na hen is doorgegaan: die niet is uit te blussen tot op de dag van vandaag. Ook in de lutherse traditie waarin Bach staat is die eeuwenoude eeuwig jonge liefdesmystiek blijven zingen. Hoogliedmotieven hoor je in zijn Weinachtsoratorium, in de Matthäus en diverse cantates. Hoor in de cantate van vanavond hoe pijnlijk verlangend het zoeken verloopt en hoe ontroerend en vreugdevol de omarming is op het moment dat de liefste wordt gevonden—als hij die wegging kómt. Daar ben je dan, ik proef je, ik bemin en omarm je.

Zo jong en pijnlijk en heerlijk blijft het in leven en in sterven. Dat is de stromende, vlammende binnenkant van de geloofstraditie, die de meesten van ons allang overboord hebben gezet. Maar via de muziek van Bach komt toch zomaar weer binnen wat eeuwenlang hier en daar is geweten: dat geloven niet alleen suf en achterlijk maar een spannende tango van liefde is.


Henk Gols