Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

De geboorte van het woord



Met de woorden van de Bijbel is iets geheimzinnigs. Doods liggen ze opgeborgen in het dichtgeslagen boek. Open je het boek, dan liggen de woorden ademloos, nog zonder teken van leven. Maar op het moment dat de woorden worden gezegd, hardop, schiet het leven erin. En ogenblikkelijk is er de verbinding met altijd en overal, met alle momenten en plaatsen dat de woorden geroepen en gezongen werden en worden. Het roepen van de woorden geeft de verbinding.


Neem je de woorden in de mond, dan wordt het gehoor gewekt. De woorden willen gehóórd worden. Liefst via het oor willen ze binnenkomen en het hart toespreken. ‘Hoor, Israël!’ is het eerste wat de woorden vragen. Eenmaal geroepen zijn ze een en al beweging, ze zoeken toegang, willen gebeuren, willen daad worden, vlees en bloed. Het zijn popelende woorden.


De woorden ontspringen aan een bron, aan een geheim met een eeuwige naam die onzegbaar is. ‘En nochtans moet het woord bestaan / dat met u samenvalt’, dicht Gerrit Achterberg. Maar het ene onzegbare woord kennen wij niet, het laat zich niet uitspreken. In de Hebreeuwse bijbel wordt het geheim van de naam gemarkeerd door tekens die alles open laten. We krijgen er geen vat op, het ultieme onttrekt zich aan onze greep. Een beetje kerkgebouw en een beetje gelovige roepen die eerbied voor het onzegbare op, voor de naam die ruimte is waar wij niet over beschikken, die stilte is voorbij onze stilte.


Het ene is dan wel niet te vatten, niet in een hanteerbare formule, niet in een uit te spreken naam. Maar toch trékt de bron en dus zoeken we naar het ene geheim met een eindeloze schakering aan woorden en liederen van onze kant. De zoektocht naar ‘het ene woord dat met u samenvalt’ levert poëzie op, kunst en muziek. En een veelheid aan daden die voorzichtig in de richting wijzen van dat ene dat zich aan onze greep onttrekt.


Ons zoeken is het antwoord op het zoeken dat van de andere kant begint. De zoekende beweging begint niet bij ons, maar bij de heilige woorden die popelen, bij de bron die wil stromen, bij de naam die stilte is waarin alles gehoord wordt. Het is de ervaring van dichters en beeldend kunstenaars: dat je gehoor geeft aan wat jou roept, dat je doet wat al klaarlag, dat je de vorm die al wachtte tevoorschijn haalt. Het is de ervaring van mensen die verlossende daden verrichten: dat ze niet anders kunnen, dat ze alleen maar antwoord geven (‘hier ben ik!’).


Iets van het eeuwige geheim is in mensen neergelegd: ze dragen het ‘beeld van God’. In de Bijbel worden mensen zo beschreven dat je een vermoeden krijgt hoe dat ‘beeld van God’ eruit ziet. De vele figuren in verhalen en liederen maken een gestalte zichtbaar. De trekken van een mensenkind. Een gehavend mensenkind, dat straalt. Een zwak mensenkind, maar krachtig. Het beeld van God is vanaf het begin in mensen neergelegd, maar het is geschonden. Soms is het onherkenbaar geworden.


‘Niemand heeft ooit God gezien’, schrijft Johannes in zijn evangelie. De eeuwige naam is een woord vol licht en leven, maar volstrekt onvertaalbaar. En toch wil dat woord gebeuren, geboren worden, vorm krijgen, lichaam worden dat aanraakt en gestreeld wordt, dat aankijkt en gezien wordt, dat roept en antwoord krijgt. Johannes schrijft dat het ene woord is uitgedrukt in Jezus Christus. Hij is het zuivere beeld. Het onkenbare ene geheim kijkt ons onmiddellijk met zijn ogen aan, het spreekt tot ons via zijn mond, het legt via hem zijn hand op ons.


In de oosterse orthodoxie wordt het vlees-en-bloed worden van het woord zo heftig beleefd dat het ene onzegbare geheim voorgoed aanraakbaar is in alles wat getuigt van het mensenkind Jezus. De iconen met zijn beeltenis zijn niet zomaar plaatjes, maar eerbiedige vensters naar de Eeuwige. De iconen met de heiligen die Christus vooruitliepen of volgden, idem dito. In de ogen van de afgebeelde figuren kijkt de nieuwe werkelijkheid van God ons aan. Aan die ogen lezen wij af dat het eeuwige woord contact zoekt. De stille werkelijkheid van de onuitspreekbare naam zoekt naar openingen om de oude wereld te verlossen, om ons aan te stoten en om te keren en het beeld van God in ons te onthullen, te herstellen, te doen glanzen.


Vanwege Christus’ komst is de nieuwe wereld van de Eeuwige vlakbij, ze is te kussen en te omarmen. Zo innig is het verre woord te beleven. Zo nabij is het vreemde woord dat zich richt tot ons die de angstige neiging hebben op veilige afstand te blijven. Het woord wil in ons worden geboren en zich met ons bestaan verweven. Het wil daad worden. Aanraking. Ogen die echt kijken. Een mond die niet de voorspelbare dingen zegt. Voeten die niet de geijkte paden gaan. Het onzegbare woord wil vertaald worden in ‘gerechtigheid’ — en met gerechtigheid worden woorden en daden bedoeld waarin het licht zit van de wereld die komt.


In de Maranathakerk zullen we op Kerstmorgen een dienst van Schrift en Tafel vieren. In protestants Nijmegen niet algemeen gebruikelijk. Waarom doen we het toch? De enige reden is dat het woord uit de hemel ons zoekt: het wordt ons in handen gegeven, het wil bij ons binnenkomen en wonen. Het blijft niet in de lucht hangen maar wordt sacrament, dat is: ultieme nabijheid, lastige werkelijkheid waarmee je in je maag zit, die zich feestelijk baan breekt en zich royaal laat delen.


Henk Gols

Gepubliceerd in Over & Weer, protestants kerkblad voor Nijmegen, december 2008