Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Maria en haar lofzang


Schone Maria

HPIM2972 2

Ik ben van Maria gaan houden. Het heeft even geduurd voor ik aan haar gewend was. Toen ik nog jonger was, durfde ik mezelf nauwelijks te bekennen dat ik haar mooi vond zoals ik haar zag afgebeeld in een rooms-katholieke kerk ergens in Oostenrijk. Als protestantse jongen was ik natuurlijk gewaarschuwd voor de Maria-verering bij de katholieken. Nu voel ik me nog steeds ongelukkig temidden van allerlei godsdienstig bijgeloof. Maar ik weet wel, dat ik me niet door een uit de hand gelopen Maria-verering laat weerhouden haar mooi en lief te vinden.

Ik kwam haar voor het eerst weer in haar schoonheid tegen, toen ik vanwege mijn kerkelijke opleiding stage liep in een oecumenische leefgemeenschap op de Wallen in Amsterdam (‘Oudezijds 100’). De leden van die gemeenschap kwamen destijds bij elkaar in een kapel die naar háár was genoemd. In een buurt vol prostitutie, misdaad en ontluistering vormde zij een stralend alternatief. Zij was daar gestalte van iets nieuws, van maagdelijkheid waartoe mensen opnieuw geboren kunnen worden, hoe besmet en vertekend ze ook zijn.

Maria huilt en vecht, is troosteloos en op de vlucht, is onvruchtbaar, verlaten, niet bij machte, een zwaard gaat door haar ziel. Eva heet ze wel—moeder die het leven tegen de dood in doorgeeft. Of Rachel, huilend bij de Endlösung van haar kinderen. Of Hanna, of jonkvrouw Jeruzalem. Vele namen heeft ze. In haar pijn en moeite, in haar geloof en lofzangen symboliseert zij het volk van God, de gemeente. In Maria gaat het om Israël en om ons. Zij is de gemeente op haar best. Zij is de figuur waarin wij passen. Zij is moeder van de Heer: het volk dat zwanger gaat van de verwachting van de Komende. En zij is bruid van Christus.


Het oude in een nieuw jasje

Lucas bedoelt in zijn evangelie niet alleen maar één bepaald meisje in de schijnwerpers te plaatsen. Hij wil Maria laten zien zoals ze al in het Oude Testament naar voren komt. Maria (in het grieks staat er Mariam) is de verbasterde vorm van het hebreeuwse Mirjam. ‘Maria’ verwijst naar ‘Mirjam’ die in Exodus 15 dansend al een loflied zong:

‘Zingt de HEER, want Hij is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee!’

Maar Lucas verwijst met zijn Maria nog duidelijker naar een andere vrouw: de lofzang van Maria herinnert sterk aan die van Hanna in 1 Sam. 2. Het is de tweede stem bij hetzelfde lied. De verwantschap tussen de beide lofzangen is in het Liedboek gehonoreerd: beide liederen hebben dezelfde strofe-vorm en melodie meegekregen (gezang 9 en 66).

Het is boeiend om te zien, hoe Lucas in de eerste hoofdstukken van zijn evangelie voortdurend gebruik maakt van oudtestamentisch materiaal. Probeer maar in het verhaal van Zacharias en Elisabeth de geschiedenis van Abraham en Sara te horen! De oude verhalen worden door Lucas opnieuw verteld. De komst van Jezus wordt verteld binnen het oude raam van Wet en Profeten. Daarom ook bedoelt de lofzang van Maria niet ‘origineel’ te zijn. Haar ‘Magnificat’ is een en al citaat en verwijzing. Het nieuwe lag blijkbaar al in het oude besloten.


Het nieuwe gebeuren

De ouverture van het evangelie van Lucas is een zingend geheel. Maria is de voorzanger. Maar even later zingt ook Zacharias zijn ‘Benedictus’ en Simeon het ‘Nu laat Gij, HEER, uw dienstknecht gaan in vrede’. En laten we de engelen met hun ‘Ere zij God’ niet vergeten, en de herders die God lovend en prijzend huns weegs gingen.

Er worden lofzangen gezongen omdat mensen gaan herkennen wat er gebeurt! ‘En het geschiedde’ is eigenlijk een hebreeuwse manier van zeggen; die wordt door Lucas heel bewust en vaak gehanteerd om erop te wijzen dat er van Godswege iets beslissends aan de gang is. Middenin het actuele, met name genoemde wereldgebeuren breekt zich een gebeuren van God baan: een gebeuren van vreugde en heil voor mensen, die nu vrijuit ‘mensen van (Gods) welbehagen’ worden genoemd. God ziet naar mensen om, Hij gedenkt, is niet vergeten, zet dóór zijn goede bedoelingen van den beginne. Barmhartigheid is het woord dat bij Hem past. Vrede, sjalom, staat voor onze deur. Want er wordt een Zoon geboren: bij alle menselijke onvruchtbaarheid en ontoereikendheid is er wat God betreft een nieuwe inzet.

Maria is degene die zich aan die nieuwe inzet toevertrouwt. Zij láát het gebeuren van God aan zich gebeuren, zij wil er weet van hebben, ze laat zich door de Geest die dat nieuwe wekt bezwangeren.

Dát is haar maagdelijkheid: dat zij zich met heel haar existentie ontsluit voor de Komende en zijn komende rijk. Ook alwie dat in navolging van haar hebben gedaan, worden in het boek Openbaring ‘maagdelijk’ genoemd (14:4). Maagdelijkheid is een mogelijkheid die vóór je ligt: een wijze van op Christus en zijn rijk gericht zijn. Geschonden mensen in nacht en angst worden toegeroepen naar het visioen van een stralende Maria, die op het eind van de Schrift vol glitter en schitter getekend wordt. Want het is Gods eer dat de mensen en de wereld uit de verf komen en schoon zijn: gezegende mensen vol gratie en een wereld van vrede.


De lofzang van Maria

De lofzang van Maria is geen privé-aangelegenheid. In haar lied zingen de andere moeders van Israël mee. Haar lied is de zang van heel de gemeente. Daarom gaan de woorden van dit lied de levenssituatie van Maria te buiten. Net als bij de lofzang van Hanna. Alle vernedering én geloof van Israël wordt erin uitgezongen.

In het lied zit de ópgaande beweging van vernedering naar verhoging: naar erbij mogen horen, van laatste nu eerste mogen zijn en rechtop gaan. Zo is de bevrijdingsbeweging van God, die in heel de Schrift bij het dieptepunt begint om dan het meest onvruchtbare en uitzichtsloze met zijn belofte te verbinden. Kerst is het feest van de verwondering: een feest waar man en macht niet bij te pas komen. De vrouw-in-haar-lage-staat gaat lofzingend voorop en de man is met stomheid geslagen…

De lofzang van Maria is een lied van bevrijding, omdat God heeft omgezien, omdat Hij zich Israël heeft aangetrokken en gedacht heeft aan barmhartigheid—en zo een oude lijn, die begon met Abraham, voorgoed heeft doorgetrokken. Abraham—hij wordt in Maria’s lofzang met name genoemd: óók een die zich uit alle menselijke schema’s van wat mogelijk en haalbaar heet wég liet roepen naar een nieuwe belofte toe; die geleefd heeft in de richting van de zoon die komen zou, ook al leek het een gaan waar geen weg was.

Wij moesten Maria een betere plaats geven in onze kerken. Wij moesten haar loflied regelmatiger zingen…

Om van haar te leren leven in de verwachting van het mens-onmogelijke dat tóch baanbreekt. Om van haar te leren dat kleine mensen op het eind komen. Niet macht en geweld en potentie hebben het laatste woord. Wie dáárop bouwen en wie leven alsof aan het schema van deze wereld niet te ontkomen was; wie met Kerst alleen maar mooi praten zonder zich door de Geest in heel hun bestaan te laten bezwangeren van het nieuwe: van Christus en zijn rijk; wie Here Here zeggen maar in werkelijkheid keizer Augustus of hoe die beesten en systemen heten, dienen—zij staan beschaamd wanneer zij Maria horen zingen, de gemeente, die zich met hart en ziel verslingert aan het rijk dat komt, de nederigen vol geloof, maagdelijk:

zich niet aan vuiligheid en macht,
geweld en bezitsdrang
te grabbel gooiend,

maar open om
het nieuwe gebeuren van God
aan zich te laten gebeuren,
er vól van te zijn

en lofzingend
(met een zwaard door de ziel)
de voeten te zetten
op de weg van de vrede.


Henk Gols, Amsterdam

Gepubliceerd in Ons Orgaan, december 1981