Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

De geloofsbelijdenis in de zondagse viering



Elke viering is belijdenis van geloof, uitdrukking van vertrouwen. Van geschokt vertrouwen ook, van aangevochten geloof. Van mij wordt niet verwacht dat ik het geloof op een rijtje heb. Vertrouwen is iets wat ik steeds opnieuw moet leren, geloven is een lange weg van vallen en opstaan.


In de kerk mag ik ‘leunen tegen oude muren’ (Fulbert Steffensky). Ik hoef het geloof niet alleen maar zelf op te hoesten, mijn zoekend geloof is ingebed in een beweging van eeuwen. Mijn geloofsweg staat niet op zichzelf, hij is onderdeel van een spoor dat anderen vóór mij hebben getrokken. In de kerk proef ik dat in de lezingen, gebeden en liederen. Ik zeg amen op wat ik niet zelf heb bedacht, mijn geloof krijgt vleugels als ik meezing in de lofzang van een grote gemeente.


Het is een misvatting te denken dat ik het zo nodig met alles wat ik in de liturgie meezeg en meezing eens moet zijn. Ik kan mij ook verbonden voelen met wat ik niet direct voor eigen rekening neem. De rivier van het geloof stroomt door verschillende landschappen. Niet elke oever is even uitnodigend, maar ik hou van de rivier. Het stromen geeft de verbinding. Ook al ben ik verknocht aan mijn eigen rivierstrandje, mijn eigen Ooij, mijn eigen kade, er is toch nog wel meer dan dat alleen. De termen ‘oecumene’ en ‘katholiciteit’ staan voor het rijke totaal. Ik geloof in een oecumenische, katholieke kerk. Niet in een eigen kerkje dat prachtig aansluit bij mijn beperkte gelijk. Gelukkig is er grotere rijkdom; als gave, niet met mijn eigen handen gemaakt, komt die naar me toe.


Een van de manieren om de verbinding met de stroom van de traditie te beleven en uit te drukken, is het zeggen / zingen van ‘de’ geloofsbelijdenis. Sinds de latere Middeleeuwen is de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel, uit de 4e eeuw, vast onderdeel van de zondagse viering. Het is een echt oecumenische belijdenis, die de kerken van Oost en West verbindt, zowel oosters-orthodox als rooms-katholiek en protestants. Daarnaast bestaat in de kerk van het Westen nog een ouder credo, de Apostolische geloofsbelijdenis, aanvankelijk vooral bedoeld voor bij de doop. De Apostolische geloofsbelijdenis klinkt frequent in de diensten in de Stevenskerk. Vreemd genoeg nooit de belijdenis van Nicea-Constantinopel, terwijl die toch meer hymnisch is en hoort bij héél de kerk.


De woorden van de oude belijdenissen hebben iets archaïsch. Het zijn niet onze woorden. Het zijn woorden die er al eerder waren, het is taal die het moment waarop wij leven en wat wij er nu van vinden overstijgt. Woorden waarvoor je enige moeite moet doen om er binnen te komen, maar die wel draagkracht hebben. Oude muren om tegenaan te leunen. Steviger dan de meeste hedendaagse credo’s, die me al gauw te particulier zijn en te tijdgebonden, alleen voor even interessant.


Toch pleit ik absoluut niet voor een wekelijks gebruik van de oude geloofsbelijdenissen. Integendeel, ik zou ze willen reserveren voor bijzondere momenten. De Apostolische geloofsbelijdenis voor als er gedoopt wordt. De belijdenis van Nicea-Constantinopel zou ik willen zingen als wij in de maand november levenden en doden gedenken, en op de hoge feesten.


Maar op de ‘gewone’ zondagen wordt het geloof ruimschoots beleden in alles wat er in de liturgie verder wordt gebeden en gezongen. Bovendien wordt in onze vieringen de dienst van het woord na de preek besloten met een combinatie van orgelimprovisatie en zondagslied. Muzikale improvisatie en zondagslied zijn een en al geloofsexpressie! Het geloof spreekt immers vóór alles de taal van muziek en poëzie, het is een zingende taal.


Het zondagslied sluit aan bij het karakter van de zondag, het is een gezongen overweging bij datgene waarvan de lezingen spreken. Er bestaat een oecumenisch rooster van zondagsliederen. Ze komen uit alle eeuwen en dat is maar goed ook. Want in de kerk zoek ik niet alleen maar wat mij vandaag toevallig goed in het gehoor ligt, niet uitsluitend wat ik dadelijk begrijp. Het hoort bij de huidige verwen- en amusementscultuur dat je geen inspanning hoeft te verrichten maar dat alles je gemakkelijk en vermakelijk wordt gepresenteerd. In de kerk daarentegen heb ik te maken met een geloofstraditie die is als een weerbarstige rots. Ik moet die willen bekloppen, soms er tegen slaan — tot het water gutst. Wat in eerste instantie ontoegankelijk is kan vandaag of morgen een sprankelende bron blijken. Ik onthoud mijzelf verrassingen, hoogte en diepte, als ik me beperk tot wat probleemloos in mijn verlengde ligt.


Ik belijd niet ‘mijn’ geloof, want zoveel stelt dat niet voor. Ik belijd het geloof van een hele gemeente. Ik zing niet solo, maar voeg mij in een koor. De samenklank, de vele stemmen om mij heen — ik wil ze niet missen, de veelstemmigheid draagt mij en maakt dat in mij geloof geboren wordt. ‘Mijn’ geloof kan niet anders dan ‘katholiek’ en ‘oecumenisch’ zijn.


Henk Gols

Gepubliceerd in het maandblad van het Oecumenisch Citypastoraat, november-december 2007