Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Een plaats voor het licht


De architectuur van oude kerkgebouwen spreekt een stille gelovige taal. Het geloof spreekt uit het ontwerp, uit de richting waarin de kerk gebouwd is. Zou je op een heldere dag boven Europa rondvliegen, dan zou je van noord naar zuid en van oost naar west de oude kerken en kerkjes zien liggen met de apsis naar het Oosten gericht. Allemaal heilige huizen bedoeld om licht te vangen, het licht van elke nieuwe dag en ook eens het eerste licht van de jongste Dag. De oud-christelijke gebedsrichting is overal in steen gebeiteld: het bidden naar Jeruzalem en naar waar de zon opkomt, de Zon van de gerechtigheid, die de Messias is. In die gebedsrichting zijn ook de Bartholemeüskerk, de Stevenskerk en de Petruskerk gebouwd. In steen gevat verlangen naar het licht. Gemetselde ontvankelijkheid.


Het koor van die oude gebedshuizen is een bewuste uitsparing, een uitbouw voor het morgenlicht. Praktisch, economisch gezien, is die uitsparing nutteloze ruimte. In zijn nutteloosheid is het heilige ruimte. Want waar niets meer hoeft, niets meer moet, waar het meten met de maten van nut en voordeel ophoudt, daar stuit je op het heilige.


De geloofstaal van de oude kerkelijke architectuur is in de Reformatie lange tijd niet begrepen. De kerken kwamen vol banken te staan, die zo werden neergezet dat je als kerkganger niet naar het binnenstromende licht was toegewend; de gemeente werden gegroepeerd rond de kansel, rond het woord dat van daaraf werd verkondigd. Het licht lag in het verkondigde woord besloten.


Toch bestaat er ook een taal zonder woorden, ‘een spraak zonder klank’ (psalm 19). Voor de woordeloze taal van de oude christelijke architectuur zijn we de laatste vijftig jaar gevoeliger geworden. De Stevenskerk en de Petruskerk hebben bij de restauratie na de oorlog hun oorspronkelijke oriëntatie teruggekregen en het koor werd weer een lege plek. Licht en ruimte konden hun eigen taal weer spreken.


Die nutteloze uitsparing waar het licht wordt opgevangen herinnert ons aan wat in ons eigen leven nodig is — in ons drukke leven, met zijn vol geplande dagen, zijn grote haast. De oude kerkelijke architectuur maant ons zonder woorden: zorg dat er in het gebouw van jouw leven een uitsparing is. Een lege ruimte, nutteloze tijd, een uitbouw waar het licht kan binnenkomen. De Regel van monnikenvader Benedictus (opgeschreven rond 600 na Christus) is een oefening in het scheppen van de overbodige ruimte die een mens nodig heeft. Elke drukke dag (want er moet natuurlijk gewerkt worden) heeft vaste momenten waarop je stilvalt. Het koorgebed vormt zingende adempauzes door de dag heen. Uitgaande van de stilte kun je de drukte aan. Wie het licht gezien heeft durft door het donker.


Zing je in een cantorij, dan weet je: zonder je te ontspannen en diep adem te halen klínkt je stem niet. Lees je poëzie, dan weet je hoe belangrijk het overtollige wit van de bladspiegel is voor de werking van het gedicht. In de Nieuwe Bijbelvertaling zijn de profetenboeken weer poëzie geworden alleen al door niet te besparen op papier maar de woorden ruimte te geven. Zonder de geest is de letter dood en de Geest waait tussen de regels door. Elke liefhebber van beeldende kunst weet het: een schilderij, een sculptuur, heeft ruimte nodig: grote lichte zalen, witte wanden.


Ook wij zelf hebben ruimte nodig. Waar is bij ons de uitsparing, de heilige grond waar niets moet, de plek waar licht ons aanstoot?


Een heilzame uitsparing is het bidden. Bidden is stilvallen: ‘mijn ziel is stil tot God, mijn Heer’ (psalm 65). Het eigen ego treedt terug, je oriënteert je, je probeert ontvankelijk te worden, je wacht en luistert. Tot je, vroeg of laat, de stem hoort die jouw naam roept, die jou bedoelt, die genadig en barmhartig ‘jij’ tegen jou zegt en je uitnodigt met eerbied ‘Jij’ terug te zeggen. Het heilige woord ‘Jij’, waarin God en de naaste samen verschijnen.


Kerkvader Augustinus (rond 400) heeft mooie woorden over het bidden gezegd. Bijvoorbeeld: bidden is het zuiveren en sterken van je verlangen (in de ‘Brief aan Proba’). Bidden is de ruimte waarbinnen het vele van je afglijdt en het ene zich plotseling aan je voordoet: ‘het enige wat ik verlang’ (psalm 27).


Henk Gols

Gepubliceerd in Over & Weer, protestants kerkblad voor Nijmegen, 17 november 2006 / 26(2006)11