Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Opstanding


Er bestaan theoretische discussies over wel of niet de schepping in zeven dagen, over het al dan niet bestaan van god, over de vraag of Jezus wel echt (‘fysiek’) uit de dood is opgestaan. Dergelijke discussies gaan over ‘iets’, over ‘iemand’, over ideeën — waar je het al dan niet mee eens kunt zijn. Steeds maak ik uit of ik in iets wel of niet geloof. Of iets past binnen mijn concept, mijn raster, mijn kaders.


Echte religieuze ervaring is anders. Daarbij bepaal ik niet langer. Al mijn praten over, mijn betweterij, verstomt. Verschrikt zwijg ik. Er breekt iets door mijn ideeën heen, door mijn stelligheid en aarzeling. Mijn waarheid begeeft het tegenover een waarheid die frank en vrij, helder en triomfantelijk op mij toetreedt. Mijn vroomheid en cynisme, mijn weten en ontkennen, verliest zijn zeggingskracht tegenover de vráág die nu aan mij gesteld wordt en alles in mij overhoop haalt.


De vraag of god bestaat of niet, doet er opeens niet meer toe. Of ik meende in god te geloven of beweerde: ‘hij bestaat (waarschijnlijk) niet’, plotseling sta ik oog in oog met de vraag: ‘mens, waar ben je?’ en ‘waar is je zuster / broeder?’ (de twee eerste grote vragen op de eerste pagina’s van de Bijbel). ‘Ik’ word geconfronteerd met een ‘gij’ dat mij  fundamenteel doorvraagt op waar ik ben en wat ik doe.


De opstandingsverhalen in het evangelie laten dat nieuwe binnentreden zien — en de schok die het teweegbrengt, de bevrijdende ontreddering. De Emmaüsgangers praten over… Tot een derde zich mengt in het gesprek en de vraag stelt. Praten over wordt antwoorden op het ‘gij’ dat zich meldt (en dat het meest ‘gij’ blijkt te worden in het breken van het brood). In het evangelie en in het boek Handelingen breekt de Opgestane de angstige constructies van mensen binnen, hun gesloten deuren, hun ontkenning, hun vluchtgedrag.


Ideeën over god, schepping, opstanding zijn al gauw lucht en leegte, ‘waarheden’ zonder waarheid. Waarheid gebeurt als mijn leven het antwoord wordt op de vraag-op -leven-en-dood die mij op het beslissende moment gesteld wordt. Een vraag als een liefste die op mij toekomt en met haar verschijning mijn leven-tot-nu-toe ontwricht en vervult. Al mijn ideeën moet ik herzien, wat ik eerder dacht kan bij het vuilnis, want het is helemaal anders. Ik word onderuitgehaald en opgetild.


Zoiets is ‘god’, zo is de verrezen messias. Een ‘gij’ waardoor ‘ik’ herken waar ik moet zijn en wat ik moet doen.

Tot mijn verrassing word ik geroepen. Uit wat ik teveel had, uit wat ik te goed wist, uit alles kwijt zijn, uit niets meer hebben word ik geroepen. En voorbij eerdere standpunten, patronen en verdrietigheden kan de levenstocht werkelijk beginnen—


‘Dan keert zij zich / en in haar eigen taal zegt ze: mijn rabbi! / En dan gáát ze…’
(Johannes 20:16,18)


Henk Gols

Gepubliceerd in Over & Weer, april 2009, protestants kerkblad voor Nijmegen