Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Protestanten in Roomse kloosters


Toespraak in het Nijmeeegs theologencafé, Lux, vrijdag 9 september 2005


Platgetreden paden

Ik bewandel niet anders dan platgetreden paden.

Zo hoop ik in 2007 richting Santiago de Compostela te pelgrimeren. Ik durf het nauwelijks te zeggen, uw reacties zijn voorspelbaar: ‘Alweer zo’n vijftiger die zo nodig zijn mid-life-crisis moet bezweren en zich voegt in de stoet van verwende kinderen van het Westen, die voor even hun burgerlijke huizen verlaten vanwege  van een teveel aan overvloed en onbehagen.’

Het andere platgetreden pad is mijn kloosterbezoek. Al decennia kom ik in abdijen, waar je tijdig moet boeken, omdat jan en alleman ontdekt heeft dat je voor weinig geld en zonder verdere verplichting de spirituele vruchten kunt consumeren waar monniken vijftienhonderd jaar voor hebben moeten bidden en werken en afzien van bezit en seks.

Pelgrimeren naar Santiago en kloosters bezoeken: beide zijn een vlucht uit het alledaagse, een aanvaardbaar excuus om voor even vrouw en kinderen te kunnen verlaten en de dagelijkse verantwoordelijkheden te laten voor wat ze zijn.

Pelgrimeren en kloosters bezoeken zijn roomse bezigheden. Maar de laatste decennia hebben protestanten zich ertussen geschoven. Onderweg ontsteken zij kaarsen, bekruisen zich in de kerken die zij binnengaan met wijwater en roepen voor hun bescherming de heiligen aan. In kloosters buigen zij zo mogelijk nog dieper dan Roomsen nodig vinden en zingen ter afsluiting van de completen vol overgave het ‘Salve Regina’ mee.

Het besef onderdeel te zijn van de modegrillen van de tijd stemt mij nederig. ‘Toch bedoel ik het niet vrijblijvend, voor mij is het meer dan meegaan met de trend’, probeer ik mezelf en anderen voor te houden.

Wat ons, gemiddelde gelovigen, onderscheidt van de heiligen, is ons gebrek aan een heldere keuze. Ida Gerhardt en Maria van er Zeyde zetten boven hun vertaling van psalm 1: ‘De man die gekozen heeft’. De titel intrigeert me al lange tijd. Aan de modegril, aan de trend, ontbreekt nu juist dát. De keuze zal me helpen aan de massa te ontsnappen. Ik moet het vrijblijvende niet meer willen. Als het klooster belangrijk voor mij is, moet ik het een waardige plek in mijn leven geven, overwoog ik. Ik besloot tot een commitment, een coming-out.

Zodoende heb ik mij aangemeld bij de Willibrordsabdij (op het landgoed Slangenburg bij Doetinchem) om er oblaat te worden. Wat is dat? De prior van het klooster zei me: ‘U gaat in elk geval geen monnikje spelen! Leest u de Regel van Benedictus, doe er iets mee in uw eigen leven en leef vooral bewust.’

Kan dat dan zomaar, een protestantse dominee die zich lieert aan de eerbiedwaardige benedictijnse traditie? De prior stelde me gerust: ‘U bent de eerste niet!’ Ach nee, wat denk ik wel; ook dit pad is reeds betreden.


Waarom toch, protestanten?

Wat zoeken wij, protestanten, in roomse kloosters?

- De oude bron. Al sinds de 19e eeuw verlangen velen van ons naar een bewuste verbinding met de vroege kerk, met haar liturgie en spiritualiteit. Menige protestant heeft iets met ‘de katholiciteit van de kerk’. Voor deze protestanten is de Reformatie het punt waar de wegen uiteengingen, maar zij ervaren de eeuwen daarvoor, en vooral de eerste eeuwen van de kerk en de hervormingsbewegingen in de Middeleeuwen, als deel van hun eigen geschiedenis.

Allerlei roomse toeters en bellen uit vooral de laatste eeuwen spreken hen minder aan. Zo doet de barokke gestalte van de roomse kerk hen weinig of niets, zelfs de gotiek is voor menigeen te verheven. Maar op de jongere gedaante van de kerk zijn zij verliefd: de basiliek, de Romaanse eenvoud. Zo de architectuur, zo de liturgie, zo de spiritualiteit.

Maar de eenvoud van gebouw en liturgie en de diepzinnige spiritualiteit vind ik met vele mede-protestanten vooral in de kloosters terug. Het klooster bergt voor ons een oude bron, waarvan het water proefondervindelijk blijkt te sprankelen als een bergbeek.

- De spiritualiteit. ‘God zoeken’ is vroomheid die al decennia lang nauwelijks met anderen te delen valt. In protestants Nederland heb je wel vroomheidsbewegingen: in zeer behoudende gereformeerde kring, in evangelische en pinkstergroepen. Maar gezamenlijk beleefde en in de liturgie gevierde vroomheid die put uit de oude bronnen van de kerk, hebben we nauwelijks ontwikkeld. God zoeken blijft een uiterst individuele aangelegenheid. In het klooster vinden wij, eenzame vromen, de gemeenschappelijkheid. Eindelijk kunnen wij vroomheid delen — eentje die door de eeuwen heen gerijpt is en vanuit de wijze monastieke bron, de Regel van Benedictus, voortdurend wordt bijgesnoeid.

- De getijden. De Roomse Kerk heeft haar Getijdenboek. Maar ook het tamelijk recente protestantse Dienstboek voorziet in formulieren en teksten voor het dagelijks gebed. In ons protestantse Dienstboek is dat dagelijkse gebed van de gemeente als een droom neergelegd. Een droom — want natuurlijk wordt het nergens dagelijks gepraktiseerd. Wie iets van het getijdengebed wil realiseren, is op zichzelf aangewezen.

Waarom zou je het doen? Zelf acht ik enige vorm van dagelijks gebed wezenlijk. Het houdt, zeg maar, de wakken in het ijs open. Het voorkomt wat ik meemaakte als pas beginnend dominee in Zeeuws-Vlaanderen: mensen wonen vlakbij zee, maar komen er nooit. Dat je op afstand blijft en niet telkens de eindeloze zee wilt horen, ruiken en zien, is voor mij onvoorstelbaar. De balkondeuren moeten open, de kamers van de ziel dienen gelucht. Goed zingen kan ook alleen maar als we goed ademhalen. Daarom de regelmatige onderbreking van de dagelijkse bezigheden. En niet pas als we er eindelijk en dus bijna nooit tijd voor hebben.

Welnu: het kloosterlijk gebed inspireert om in ons privé-leven iets van het oude gebedsritme terug te brengen. En als we dan noodzakelijkerwijs geheel alleen de psalmen zingen, weten we ons in elk geval met de zingende gemeente van het klooster verbonden.

(Het dagelijks gebed als onderbreking van de bezigheden wordt vitaal gedemonstreerd in de wereldwijd razend goed verkochte islamobieltjes: mobiele telefoons, met een automatische oproep tot gebed, de aanduiding van de richting van Mekka en meer moslimse informatie. Het is een veeg teken dat in de kerk zoiets ondenkbaar is, zeker onder protestanten. Wij christenen hebben onze traditie van gezamenlijk bidden achter ons gelaten en daarmee stoffig gemaakt, niet meer van deze tijd. Lijkt me niet meer te repareren ook. Wie niettemin deze gebedstraditie zoekt, vindt haar nog in de kloosters, waar ze voor ons allen is bewaard.)

- De discipline. Wat in de kloosters eveneens boeit, is de discipline die er het dagelijkse leven bepaalt: het snoeien omwille van het bloeien. Heilzaam is het om een structuur te leggen in de dag, om te schiften en te scheiden in wat anders als een chaos over ons heen spoelt: de agenda die moet worden afgewerkt maar voortdurend te vol is, de telefoontjes en e-mails die brutaal ogenblikkelijk aandacht vragen. Nee dus: voor dingen die echt belangrijk zijn, gaan we ruimte scheppen. ‘Scheppen’ — een creatief proces van punten uitzetten, onze eigen lijnen trekken. Wat zich lawaaierig opdringt, krijgt níet automatisch meteen onze aandacht. We stellen onze eigen ‘regel’ op.

Die eigen regel wordt in mijn geval vooral gevoed door de Regel van vader Benedictus , waarvan de aanhef luidt: ‘Luister aandachtig, mijn zoon’. In die allereerste oproep klinkt het sjema Jisrael door: ‘Hoor, Israël!’ (Deuteronomium 6:4). De bijbelse en de monastieke bron bedoelen hetzelfde: er moet iets open in ons en onze overladen programma’s. Wij horen aan het wezenlijke voorbij. Te veel leven wij bij de waan en de agenda van de dag. En daartegen tekenen de oude leefregels principieel verzet aan.


Vallende muren, blijvende bron

De meeste kloosters gaan natuurlijk net als de meeste kerken aan deze eeuw te gronde. Wat blijft is de bron, die de eeuwen door gestroomd heeft en nog lang niet is uitgeput. De binding met het klooster betekent voor mij dat ik contact maak met vitale spiritualiteit, die dieper zit dan de constructies die het vandaag begeven. Als de kerkelijke en kloosterlijke muren vallen, blijft in het verborgene het water stromen, daarvan ben ik overtuigd. Wat echt van waarde is, zie je later in de geschiedenis telkens weer bovenkomen. Kijk maar naar de literatuur die in de boekwinkels staat uitgestald: uitgaven van klassieken, van o.a.  Augustinus en Dante, van middeleeuwse mystieken. Onder het woestijnzand van lange eeuwen wachten altijd weer de bronnen, tot ze opnieuw worden geopend.

Meer dan in de kerken die ik dien, kom ik in de monastieke spiritualiteit iets tegen dat ouder maar ook jonger is dan ik, dat mij overleeft, dat de huidige gestalte van de kerk overleeft, en deze eeuw, waarin ik ontheemd ben, pelgrim zonder thuis te komen.


Henk Gols