Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Altijd weer de psalmen


‘ ’s Nachts rust haar hart uit op wat psalmen’ —

zo vertaalt Kees Kok een regel uit het gedicht ‘Esther’ van Else Wasker-Schüler.
Voordat aan het begin van de nacht de lichten in het klooster worden gedoofd, zingen de monniken uit psalm 4 (vertaling Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde): 'Vredig vind ik de rust en de slaap; / Gij o Heer, Gij alleen doet mij wonen beveiligd.'

In tegenstelling tot de ‘goddelozen’ die op bed hun kwaad uitdenken (psalm 36), doet psalm 4 aan zelfonderzoek: heb ik een medemens beschadigd? Mijn gebed wordt de ruimte waar ik de ander tegenkom. Bidden legt verbindingen en is op vrede uit.

Psalmen zijn mooi. En rauw. En lelijk. Ik kom ter sprake zoals ik ben. Donkere en lichte woorden schrijven zich uit op mijn lijf. Ze drukken me niet naar beneden maar tillen me op.

De psalmen vormen het gebedsboek bij uitstek van de synagoge en van de kerk. Ze zijn niet alleen maar ooit een keer ontstaan, ze hebben zich gevuld met het verdriet en de vreugde van vele generaties. Door psalmen te bidden, voeg ik mij in een eeuwige traditie.

De vroege kerk heeft het psalmzingen van de synagoge vanzelfsprekend overgenomen.
Intensief werd en wordt het psalmboek in de kloosters gebruikt. Eeuwenlang werden er de 150 psalmen in één week tijds gezongen, onberijmd, op oude oosterse en zuidelijke psalmtonen. Vandaag de dag neemt men in menige abdij twee weken de tijd.

In de calvinistische reformatie zijn de psalmen omgewerkt tot strofische liederen: de psalmen in een nieuw jasje, een strak maar kunstig keurslijf. In het Liedboek voor de kerken vind je die strofische psalmliederen verzameld, voorzien van melodieën uit de Renaissance.
In de Engelse Kerk bleef de psalmtekst intact: ongetemd, onberijmd. Meerstemmige formules maakten de teksten zingbaar: de chants, bekend uit de evensong in Engelse kathedralen en colleges (ook regelmatig te horen in de vespers in de Stevenskerk).

Het protestantse Dienstboek van 1998 biedt een psalmenrooster voor zeven weken. Dat milde rooster gebruikt een aantal mensen in Nijmegen, onder wie ikzelf. Gemiddeld één psalm voor ’s morgens, een voor overdag en een voor ’s avonds: niet teveel in één keer, tijd genoeg om de tekst binnen te laten komen. Zo’n zeven keer per jaar zingen wij ons door de psalmen heen, in wijde spiralen komen ze bij ons binnen en zoeken zich een weg naar de diepte van het hart, naar de laag van de ziel.

In de psalmen bidt heel de Bijbel. Wat elders in de Schrift wordt uitgedrukt in verhalen, leefregels, poëzie, wordt in de psalmen tot gebed. ‘Lofzangen’ heten de psalmen in het Hebreeuws. Maar het merendeel van de psalmen is pijn, klacht, vraag. Toch, op het moment dat ik mij richt tot het Gij dat achter de woorden vlamt, is het lofzang! Ook al ben ik er belabberd aan toe, ook al ga ik gebukt onder het vooroordeel van anderen of onder eigen schuld, ook al lijkt mijn leven vruchteloos, als ik mij uitspreek tegenover de Eeuwige worden mijn bange woorden een loflied voor hem. In de communicatie zit de transformatie. De omslag, de keer komt waar ik het waag uit mijn verschansing tevoorschijn te komen en ‘Gij’ te zeggen.

Heb je een aantal keren de ommegangen gemaakt van de lange wenteltrap van de psalmen, dan ga je thema’s herkennen. Het thema bijvoorbeeld van de ordening die in de schepping verscholen ligt en ook het verborgen fundament is onder mijn eigen bestaan: de ordening van een nieuwe wereld. Onder de oppervlaktelaag van de samenleving, achter mijn eigen schema’s en voorbij de rasters waarmee wij de werkelijkheid en elkaar interpreteren, ligt de Regel van een komende wereld te wachten. De Regel popelt om hier en nu en her en der toekomst te ontsluiten. De Regel ademt door de Tora en door de Bergrede van Jezus. Ze bedoelt de herinrichting van het bestaan, schept ruimte, opent uitzicht op beloofd land.

Leven en samenleven waaruit alle belofte is verdampt, heet in de psalmen ‘goddeloos’: het is een term die bijvoorbeeld staat voor het grote graaien, de hufterigheid, je naaste niet respecteren maar hem of haar gebruiken voor je eigen doeleinden, of ‘gewoon’ kwaad over een ander spreken.

In de psalmen kom ik onderdrukking tegen: vluchtelingen, ballingen. Door de psalmen te zingen bid ik met degenen mee die worden uitgejouwd en misbruikt. Schouder aan schouder sta ik met schuldelozen en schuldigen. Ik verbind me met het lot van wie minder geluk hebben dan ik, maar in de psalmen wonderlijk genoeg gelukkig worden geprezen. De psalmen roepen mij weg uit een te gesetteld bestaan. Ook ik ben een ‘vreemdeling en bijwoner’.

Ongekuist zijn de psalmen. Het ‘woedt’ in de psalmen. Ik lig met mijn God in de clinch, ik vraag waarom, ik stoot op zijn duister. Hij stoot op mijn duister. Om bij zijn licht te komen moet ik me door het pikkedonker heen zingen. In de psalmen schreeuwt mijn woede, de woede van anderen ook, van degenen die alles verloren hebben, de woede tegen het onrecht en tegen degenen die zich voor dat onrecht lenen.
Maar al dat verdriet en al die woede heten een lofzang voor de Eeuwige, die mij alleen maar ongekuist wil, die peilt hoe diep de pijn zit en alle tranen in een kruik bewaart.

Verrassend zijn in de psalmen de ‘keer’-momenten. Buiten wat ik kan plannen om, keert plotseling de situatie, opeens ‘gebeurt’ het. De psalmen zingen zich naar het keermoment toe. Ze wekken de verwachting dat vandaag of morgen de Eeuwige zich naar mij toe zal wenden, dat vicieuze cirkels worden doorbroken, droefheid verandert in vreugde, dat op een goede morgen de wereld zich vernieuwt en de schepping openbloeit en ik mijn ogen niet kan geloven. Het zwarte, het depressieve, de draaikolk naar beneden, de woede en de haat, het niet begrijpen — plotseling wordt het opgetild, de adem van de Eeuwige gaat eroverheen, het dichte en sombere opent zich, het transformeert.

Psalmen zingen is een weg bewandelen. Wie begint te bidden, is al een pelgrim geworden. De tocht gaat door verschillende landschappen, nauwe dalen, moerassen, woestenij. Tot zich plotseling wijd land ontvouwt: ik betreed heilige grond, de mateloze ruimte van de vrijheid. Juist in de psalm die het meest uitgebreid de Tora, de heilige Regel, bezingt (psalm 119) openen zich eindeloze vergezichten.

De psalmen zijn vreemd, oriëntaals. Ik kom er koningen, tirannen, bedoeïenen, slaven en bijvrouwen tegen. Maar onmiddellijk herkenbaar is wat van alle tijden is en eeuwen en culturen niet kunnen veranderen: de gestalte van de mens in zijn glorie en ellende. Koninklijk en geschonden, argeloos en schuldig verschijnt hij/zij, lovend en roepend, zoekend naar vergeving, naar redding, naar leven.

Al zou ik alleen zijn, via de psalmen ontstaat de verbinding met wie eerder en elders hebben gezongen. Ik bid mij een weefsel binnen, een huis van woorden om in te wonen.


Henk Gols

Gepubliceerd in het blad Over & Weer, oktober 2010
(bewerking van een artikel dat in het OCP-blad van november 2008 verscheen)