Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Dagelijks geloven

Toespraak bij de presentatie van
Dagelijks geloven. Vormgeven aan geloven vandaag, van Wilma Hartogsveld

Schaarsbergen, maandag 8 maart 2010


Woorden en rituelen zijn om in te wonen. Onbeschut is het leven als er geen wanden zijn, geen muren om tegenaan te leunen, geen dak boven je hoofd. Vrijheid is leegte als er geen structuur is. Het wordt chaos als er geen afgebakende plek is. De geest blijft zweven als ze geen houvast op aarde vindt.

In de onafzienbare woestijn tekent een volk wat strepen in het zand, spant een lijn, hangt wat gordijnen op, bouwt een tent, een tabernakel. Opeens is er in die eindeloosheid een midden. In de zomer op het strand gebeurt ook zoiets. Een kuil, een windscherm, een handdoek, een stoel — en daar ontstaat de plek die even van ons is.


De afgelopen decennia hebben we ons in rap tempo van woorden en rituelen bevrijd waarin we niet meer konden wonen. Ze gaven geen beschutting, ze knelden. Ze boden geen oriëntatie om vooruit te komen, maar hielden ons vast in een stand van zaken waar we juist uit weg wilden. Al die dingen die moesten, of die je niet mocht. Alles wat sleur was geworden. En leeg. Het droeg geen belofte meer, het rook naar slavenhuis.


En nu zoeken we naar een nieuwe plek. Een ander dak. Naar een vorm die wél past, die we mooi vinden en veilig. Naar woorden en rituelen die vol ramen zitten en deuren die open kunnen. Want voordat je het weet is je leven van vrijheid-blijheid opnieuw gevangen — in de sleur van wat je commercieel krijgt voorgeprogrammeerd: werken, eten, tv-kijken. Zomaar raak je de gevangene van een te volle agenda, van alles wat moet in gezin en baan en vrijwilligerswerk. Je wordt geleefd en dat is dus de vrijheid niet. De eerste demon is vertrokken maar komt met zeven andere ongeesten terug in het huis dat leeg staat: in een leven dat niet is ingericht.


In de geschiedenis is het steeds weer zo geweest dat slimme mensen, met voldoende aristocratische kracht en talent en financiële mogelijkheden, zich boven het algemene geploeter wisten te verheffen. Ze schiepen zich hun eigen vrije ruimte, fraaie witte muurvlakken voor de geest. Een mooi voorbeeld is Augustinus, de latere kerkvader. Deze fijnzinnige mijmeraar uit de nadagen van de Romeinse cultuur werd uit hoge geestelijke sferen naar beneden getrokken, toen hij door het kerkvolk van de Noord-Afrikaanse havenstad Hippo tot priester en vervolgens tot bisschop werd gekozen. Vanuit zijn elitaire, beschouwende leven kwam hij plotseling tussen vissers en marktkooplui terecht. Het was een keerpunt in zijn gelovige bestaan. Hardhandig leerde hij wat het betekent dat het Woord vlees en bloed is geworden en midden onder ons zijn tent heeft opgeslagen, op de kaai en op de markt. De Eeuwige is nederig geweest. Nu wij nog.


In deze oud-christelijke nedere traditie staat Wilma met haar boekje Dagelijks geloven. Vormgeven aan geloven vandaag. Een handreiking om woorden en vormen te vinden waardoor het leven van gewone vrouwen en mannen met hun alledaagse besognes structuur krijgt. Een eenvoudige structuur, waarvoor je geen hoogstandjes hoeft te verrichten. Die structuur wordt in het leven gelegd dat is zoals het is, ze geeft dat gewone leven samenhang, zoals een magneet losse deeltjes groepeert en richting geeft. Het leven wordt georiënteerd en bloeit open.


Wilma stelt zich niet op als een goeroe die beter weet en mooie zelfbedachte richtlijnen op mensen loslaat. Ze laat mensen zelf ontdekken en uitproberen. Het boekje is het resultaat van wat mensen zelf hebben gevonden. Zo gaat dat bij rituelen: uiteindelijk maak je ze niet, je vindt ze. En wat je zelf gevonden hebt, is goed te doen. Wilma’s boek nodigt uit tot zoeken en vinden. De voorbeelden zijn geen voorschriften, nee: ‘Neem rustig de tijd om uit te vinden welke dingen bij jou passen, wat voor jou zinvol is en op welke manier jij jouw geloof in je dagelijks leven handen en voeten kunt geven.’ (p. 13)


Dat er nieuwe vormen gevonden moeten worden, is duidelijk. Want: ‘zonder inhoud zijn vormen nutteloos, maar zonder vormen vervliegt de inhoud en houden we uiteindelijk niets in handen.’ En: ‘Het wordt tijd dat we vrijmoedig en vasthoudend de waardevolle geloofsinhoud in ons dagelijks leven verstaanbaar vorm gaan geven. In de eerste plaats voor onszelf, maar zeker ook voor de generaties na ons en om de noodzakelijke dialoog met andersgelovigen vruchtbaar te maken en te houden…’ (pp. 22-23)


Dat is van belang: dat het spirituele individualisme wordt overstegen. Wij zoeken en vinden niet los van elkaar. Spiritualiteit is niet uitsluitend een zaak van binnenkamers en eenzame boswandelingen, van wat je op eigen houtje in elkaar knutselt. Wat wij vinden, wordt ons aangereikt. We mogen veel van rondom ontvangen, en wat je ontvangt wordt pas vruchtbaar als je het met anderen deelt. Wilma zoekt met haar gemeenteleden naar vormen van leven en geloven in het verband van het gezin, van het dagelijks werk, en binnen de kerkelijke gemeenschap.


Wie de toekomst in wil, moet terug naar het verleden. De rivier van de levende traditie stroomt uit verweg gelegen bronnen naar de open ruimte van de toekomst. Ons leven in het hier en nu is een schakel. Hier en nu is belangrijk, maar het is niet alles. Er is een voor en achter, je bent met verleden en toekomst vervlochten. Zoals je je thuis kunt voelen in een oud huis, dat je betrekt. Je wilt er het nodige vernieuwen en moderniseren. Maar je haalt niet al het oude weg. De zichtbare verbinding met wat was geeft een goed gevoel. Een systeemplafond haalt het niet bij oude balken. Laat maar zitten, die oude zuiltjes en deuren en het glas-in-lood. Het is opvallend dat we als protestantse gelovigen veel hebben wéggedaan van een tamelijk recent burgerlijk-protestants verleden, maar tamelijk gretig terugbuigen naar spirituele schatten die verderweg verborgen liggen. Velen vinden beschutting bij verweerde muren van vóór de Reformatie. Joodse zegenspreuken, oeroude monastieke richtlijnen, geschriften van middeleeuwse mystici, rituelen uit de westers-katholieke en oosters-orthodoxe traditie worden onze kale kerken binnengehaald. Onze protestantse traditie verandert van identiteit. Protestants geloven wordt nieuw neergezet, niet van bovenaf bepaald, nee het ontwikkelt zich door al het oude nieuwe dat gewone mensen op het grondvlak beproeven en met elkaar delen.


Hoe ziet de toekomst van het christelijk geloof eruit? Wat leeg is, een huis zonder inrichting, wordt weggevaagd, dat ligt voor de hand. Echt, er moet hard gewerkt worden! ‘Geloof is een geschenk dat je krijgt aangereikt en dat je leven verrijkt en verdiept. Tegelijkertijd is geloven iets dat gevoed en versterkt wordt door ermee aan de slag te gaan’ , schrijft Wilma (p. 15). Zij behoort zeker niet tot degenen die menen dat de rol van onze christelijke traditie is uitgespeeld. Ze wijst erop hoe overal mensen actief bezig zijn met het zoeken naar nieuwe taal en nieuwe vormen. Uit de praktijk blijkt dat wie zoekt ook vindt: het zoeken levert her en der verrassingen op. De betekenis van het christelijke — en ook protestantse — geloven is dus niet uitgeput: er blijkt een reservoir van nieuwe betekenissen voorhanden, dat in het verleden nog niet is aangeboord.


Wat nodig is, is dat we de sleur van het leven en de sleur van het kerkzijn en zeker alle kerkelijk doemdenken onderbreken door rituelen die ons openen, die ons telkens weer bekeren, die ons keer op keer een kleine tik geven een net iets andere kant op. Zo dat wij hetzelfde leven dat wij leven en dezelfde mensen om ons heen en dezelfde kerk waarbij wij horen zien bij een ander licht. Een ritueel is een gebaar, een woord, een stilte, een moment dat je dat wat je altijd denkt en zegt en doet onderbreekt: je werpt het net uit aan de andere kant. Het is prachtig dat Wilma laat zien dat met kleine ingrepen nieuwe vitaliteit en vreugde kan worden aangeboord. De rijkdom ligt om de hoek, de levende stroom ligt vlak onder de oppervlakte. Aan de oppervlakte is het kerkelijk instituut bezig in te storten, maar zie eens wat voor oude en nieuwe aders er onder die bouwvallige constructie worden aangeboord!


Wilma’s boekje is voor de kerk onderop, voor mensen aan de basis, met twee voeten op de grond — die de balkondeuren van het leven openslaan. Frisse lucht stroomt binnen. Het lijkt wel voorjaar.


Henk Gols