Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

De beek Gods is vol water 
Over psalmen, liturgie en pretparken


Wie regelmatig de psalmen bidt, raakt vertrouwd met het landschap van de woorden. Het landschap van de psalmen is het landschap van het leven. In de psalmen is veel onherbergzaamheid, plekken waar ik ver van huis ben. Maar ook zijn er de oases, is er het binnengaan, het thuiskomen. Woestijn is er en water dat mij tot de lippen komt. En er opent zich een pad door al dat angstige heen, ik zink niet weg maar klim omhoog, wijd is het land dat zich voor mijn ogen opent.

Wisselend is het landschap van de psalmen, de stemmingen slaan voortdurend om. Wat eerder een stad was om in te wonen transformeert in een vreugdeloos oord. Maar eerdere dorheid ligt er plotseling bij als een prachtige wijngaard. Onrustig is de ziel (dat wat ik ben achter mijn verschansingen en vermommingen, mijn mooie woorden), dorstig ben ik als een hert en eenzaam als een vogel op het dak. Maar zomaar welt ook diepe dankbaarheid naar boven en is er de ervaring van stabiliteit: als een boom sta ik stevig geworteld vrucht te dragen, tot in mijn grijze dagen — zing ik.


Vaak is er binnen een en dezelfde psalm het door elkaar van donker en licht, van verlatenheid en het raken aan stromend leven. Het verdriet van de ballingschap (ik ben niet op mijn plek, mijn ziel verkommert, er klopt niets van de wereld, de vertrouwde beelden van God liggen in gruzelementen) slaat om in vreugde, omdat ik achter in de woestijn van mijn bestaan de ervaring opdoe dat ik heilige grond betreed. Waar ik het niet verwachtte meldt zich het geheim: ik word gezien en aangesproken, voorbij de god die niet bestaat (die ik zelf in elkaar knutsel, mijn eigen wensbeeld) vind ik de Eeuwige die mij roept, zó dat ik ga vermoeden hoe ik zelf mag bestaan.


Het geheim dat levenslang in het verborgene op mij wacht sluit niet prettig bij mijn voorkeuren aan. God is niet mijn projectie, maar een inbreuk op mijn bestaan. Het moet anders, ik zelf moet anders en ontkom niet aan een leerproces.


Dat niet vanzelfsprekende is ook een wezenskenmerk van ware liturgie. Liturgie is geen amusement, ze is godsdienstoefening, een hele klus. Als kerkganger ben ik geen consument, ik verricht een dienst aan wat groter is dan mijn eigen voorkeuren en begrip. Liturgie is een rivier die allang voor mij begonnen is en nog eindeloos verdergaat als het voor mij ophoudt. Liturgie is beweging die blijft, ze beweegt met de Eeuwige mee. Op zondag naar de kerk gaan betekent nu zelf in die blijvende beweging meedoen, ze mee helpen dragen door de tijd. Al vierend ontstaat de verbinding: met de dynamiek van de Eeuwige, met generaties voor en na ons die aan dezelfde beweging deel hebben. In die beweging ben ik van belang, maar wordt mijn belang ook gerelativeerd. Alleen een opgeblazen ego verknipt het grote tot zijn eigen kleine maten.


Kenmerkend voor de kerk in haar terminale gestalte zijn de gekunstelde pogingen om in de zondagse viering aan te sluiten bij wat ‘men’ (jong / oud) leuk zou vinden. De viering op zondag neigt dan tot prettig religieus amusement, hoogte en diepte verdwijnen, de taal hurkt neer en wordt plat, melodieën liggen voorspelbaar in het gehoor, wat niet direct toegankelijk is wordt gemeden. Zo schiet de viering haar doel voorbij: ze leidt ons (en de komende generatie) niet langer naar de plek waar het geheim te vinden is, ze onthoudt ons de weerbarstigheid, rotsachtigheid om tegen aan te slaan maar waarvan de tora en de psalmen weten dat er vandaag of morgen het water gutsend uit tevoorschijn komt.


Ware liturgie geeft verbinding met wat in de diepte stroomt. De oppervlakte van de wereld en van ons eigen leven camoufleert een diepe laag verdriet, een verborgen binnenkant, waar de schepping zucht en de ziel terneer is gebogen — vanwege alles wat er altijd weer misgaat, vanwege alle schending en tekort. Maar onder de laag van eeuwenoud en levenslang verdriet stroomt onbegrijpelijke dankbaarheid. Daar stuwt het vertrouwen van de Eeuwige zelf, die over zijn schepping heeft uitgeroepen dat ze ‘goed, zeer goed’ is: dragende, dynamische woorden zijn het, die door de tijd en in onze gehavende levens een rivier van belofte vormen.


In de liturgie geven we stem aan het kyrie en het gloria. Kyrie: het hoopvolle roepen uit de diepte om ontferming. Gloria: het instemmen met het lied van dank. Beide inclusief, solidair, namens heel de schepping.


De sacramenten van doop en brood en wijn geven de dwarsverbinding met de verborgen lagen van verdriet en dankbaarheid. Een doopvont is een put die is geslagen naar het water in de diepte: water waarin ik verdrink maar dat ook bronwater is dat mijn dorst lest naar waarachtig leven. Aan tafel heffen wij de beker van het wereldwijde lijden van de messias en proeven wij tegelijkertijd de vreugde: de afdronk heeft sensaties van het ons beloofde land.


Door het wisselende landschap van de psalmen stroomt een beek: de beek Gods, die vol water is. Waaruit het hert en de woudezel en de messias drinken. Beek waarnaar bomen hun wortels uitstrekken. Beek waarnaar ik altijd opnieuw op zoek moet en die zich telkens weer bij verrassing presenteert.


Liturgie vieren is komen naar waar de beek stroomt. Waar op een moment van genade de woorden spatten als fonteinen van water en de sacramenten mijn dorst lessen. Wat geeft het als de toegang niet altijd gemakkelijk is! In psalmen en mensenlevens liggen de grazige weiden en de stille wateren (‘ik heb ze gezocht en inderdaad / gevonden, ze waren nog mooier / dan mij was beloofd, / prachtig’, Rutger Kopland) niet in een pretpark.


Henk Gols

In: Maandblad Oecumenisch Citypastoraat Nijmegen, zomer 2009
(ook gepubliceerd in Over & Weer, november 2009)