Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

De blijde weg van de Vasten


‘Op die manier kan ieder uit eigen beweging en met de vreugde van de heilige Geest aan God iets aanbieden dat boven de maat van zijn verplichting uitgaat.’

(Regel van Benedictus 49,6)


Vanaf woensdag 9 maart is het de Vasten. Mede dankzij het zelfbewuste vasten van onze islamitische medeburgers komt het vasten van onze eigen geloofstraditie weer in beeld. We hebben een periode achter de rug waarin lacherig en meewarig de betekenis van het vasten werd gerelativeerd of ontkend. Van een vanzelfsprekende en samenbindende praktijk werd het tot een individualistische aangelegenheid, een religieuze hobby verspreid uitgeoefend door een aantal dwaze gelovigen. Maar nu komt de Vasten weer in beeld als tijdsbestek vol genade, als sacrament dat ons verbindt met het heilige en met elkaar, als poort en weg naar de ruimte van de vrijheid die Pasen is.


Om dat laatste gaat het. Om nieuwe open ruimte, waarheen we op weg mogen gaan. De Vasten is een pad, een spoor gemaakt door de voetstappen van Mozes en zijn volk, de voetstappen van Elia, en daaroverheen die van Jezus. Mozes’ spoor brengt ons naar de uiterste rand: na veertig jaar woestijn houdt het op bij de laatste berg, de Nebo, vlakbij de grensrivier de Jordaan. Elia’s spoor voert terug naar het hart van de woestijn, naar de diepe stilte van God voorbij alles wat stormt en schokt en vlamt. Maar Jezus steekt de grens over, zijn voetstappen verdwijnen in het water, hij wordt een bizarre dood in gedoopt. Hij lijkt op de laatste grens stuk te lopen. Het heeft er even de schijn van dat je toch niet kunt oversteken. Dat je gevangen blijft in de woestijn van het bestaan. Dat leven is dat je jezelf in cirkels herhaalt. Dat er geen bevrijding is. Dat je jezelf en de wereld (en de kerk) moet aanvaarden zonder hoop op iets nieuws dat het oude voorbij doet gaan: je bent die je bent en deze wereld (en de kerk) is de best denkbare die er is. Tot op Pasen Jezus de grens over blijkt. De steen die de doorgang afsloot ligt weggerold. In de paasberichten uit het evangelie klinkt om te beginnen onze schrik. Onwennig betreden wij de ruimte die zich bij verrassing voorbij onze mogelijkheden ontsluit.


Vasten is: je heroriënteren, de beweging naar Pasen willen inweven in je dagelijkse leven, uit de tredmolen stappen dus, gewoonten, manieren van denken en doen doorbreken, innerlijk op reis gaan, rugzak pakken, veel thuis laten, oude wijze sporen beproeven, voelen wat je aan overtollige ballast toch nog meesjouwt en het loslaten, ervaren hoe zwaar van ego je bent, hoe vol je bent van jezelf (je successen, je status, je trauma’s, je zieligheid) en proberen met open hart en open handen te gaan, de geest vrijmaken, zorgdragen voor andersoortige input, nieuwe woorden leren, een betere houding oefenen, ogen en oren anders gebruiken, gespitst zijn op ontmoetingen onderweg, de ander tegemoetgaan en groeten, vertrouwen leren. Wantrouwen en angst bij jezelf onderkennen. Laat maar bovenkomen, laat maar duidelijk worden wat jouw vrije lopen belemmert (altijd al en nu weer). Vasten is de grens opzoeken. Gaan tot de grensrivier. Hoe kom je de grens over?


Je komt de grens niet over. Het is je nog nooit gelukt en ook nu zal het je niet lukken. Dat is straks de erkenning op Goede Vrijdag: dag van ons onvermogen, van tekort en schaamte. De dag waarop Jezus oversteekt. Hij wel.

Maar dan, in de Paasnacht, de nieuwe geboorte die gratuite aan ons gebeurt. Wij bereiken de overkant en dat is niet onze verdienste. Het licht treedt ons donker binnen — en het is niet door ons ontstoken. Grensoverschrijding presenteert zich als grandioos gegeven. In de doopgang van Jezus worden wij méé gedoopt. Wij worden overgezet.


Vasten is geen prestatieloop. Het is alleen maar op weg gaan. Dagelijks. Deze dag dit stukje. Vandaag deze stap. En wat je precies doet en laat, is aan jou…


Maar dat laatste wordt in de regel van Benedictus onmiddellijk gecorrigeerd: de vormgeving van jouw vasten is geen individualistische aangelegenheid, je bespreek die altijd met je ‘abt’. De abt is een soort alter ego. Je wijzere zelf. Is vrouwe Wijsheid die via een ander tot je spreekt en jou graag goede raad geeft. Blijkbaar moet je niet zomaar op weg gaan. Liefst bespreek je je tocht met een ander in wie je vertrouwen hebt. Stel jezelf geen dwaze doelen. Vertil je niet. Voorkom krampachtigheid. Laat wat je doet of laat iets zijn dat je met vreugde aan God aanbiedt. In de regel van Benedictus ademt het vreugde als het om de weg naar Pasen gaat. Wat wil je ook: wij stuiten op wat diep in de wereld en in onszelf beweegt in de richting van verlossing, van feest!


Henk Gols

Maandblad Oecumenisch Citypastoraat, maart 2011