Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Eeuwigheid in de citykerk — een persoonlijk statement

Samenvatting van een bijdrage aan de studiedag ‘God. Toen, nu en dan’,
georganiseerd door de Raad van Kerken Nijmegen en omstreken, 17 november 2011



In Trouw van zaterdag 12 november een verslag van presentatie van de nieuwe psalmhertaling van Huub Oosterhuis in De Nieuwe Liefde in Amsterdam. Aan het woord komen om te beginnen twee grijze dames, die zichzelf twijfelaars noemen en zeggen: ‘De woorden van Oosterhuis passen beter bij deze tijd. Anders blijf de jeugd weg.’ De verslaggever merkt op dat er geen jongeren zijn te bekennen. Maar een van de dames wijst in de verte: ‘Nou, daarachter ergens, zit volgens mij een jonger meisje.’

*

Oek de Jong schrijft in een bijdrage aan het boek Tien visies op Meister Eckhart (2010): ‘Wat voor de kunst geldt, geldt ook voor het dagelijks leven. Ook daar vallen er steeds “gaten” in onze controle, en dat zijn de momenten waarop er werkelijk iets kan gebeuren, waarop er iets nieuws kan ontstaan, omdat iets anders in ons het overneemt.’

*

In Trouw, zaterdag 19 november 2011:

Marente de Moor (de dochter): ‘Ik snap niet waarom mensen zich altijd willen herkennen in een boek. Ik wil juist op sleeptouw worden genomen. Intrigeer mij maar.’

*

Margriet de Moor (de moeder): ‘Mij lijkt het dat die hang naar het vreemde, het andere, de echte lezer kenmerkt.’


In het evangelie van Johannes komt voortdurend het ‘eeuwige’ leven ter sprake. Die term focust niet op een leven na dit leven, maar op een permanente onderstroom, op grondwater onder de oppervlakte van dit bestaan, dat ik kan aanboren, dat opborrelt en stroomt. Onder de oppervlakte van de geschiedenis stroomt het eeuwige leven. Waar ik ook putten sla, in de eerste eeuwen, de middeleeuwen, de 17e eeuw of vandaag de dag: hetzelfde eeuwige leven welt op, ik raak in contact met iets dat oud en nieuw tegelijk is, blijft inspireren en vervullen.


Liturgie in een oude binnenstadskerk moet mensen laten raken aan de eeuwen, aan schatten die daarin liggen verborgen en nog lang niet zijn uitgeput. Zelf ben ik oblaat: ik ben een protestantse dominee die een put heeft geslagen in de 5e eeuw en zijn spirituele dorst lest met het levende water dat uit die oude bron fris tevoorschijn komt. Niet onze nieuwste tijd levert per se het nieuwe op, in het oude ligt het evengoed te wachten. Hoe inspirerend hedendaagse teksten en muziek ook kunnen zijn, ik wil me er niet graag toe beperken. Graag blijf ik de oude Latijnse hymnen zingen en het gregroriaans, en bijvoorbeeld piëtistische liederen uit de 17e eeuw (waarvan Bach gebruikt maakt in zijn cantates). Met instemming reciteer ik de aloude Niceaanse geloofsbelijdenis, ik ben gefascineerd door de oeroude Romeinse collecta-gebeden (deels voor-middeleeuws) en zoek tegelijkertijd hartstochtelijk naar nieuwe taal. In de citykerk mag je dit ruime, oecumenische aanbod verwachten. In een architectuur van eeuwen klinken teksten en muziek van eeuwen. Naar zowel oud als nieuw past een onbevooroordeelde houding: hebben oud en nieuw voldoende kwaliteit, hoogte en diepte, dan zitten ze even dichtbij de bron, het eeuwige leven stroomt immers onder de gehele oppervlaktelaag.


De benedictijnse traditie waaraan ik mij heb gelieerd houdt mij voor: ‘Luister, mijn zoon, mijn dochter!’ Het is een herhaling van het joodse ‘Hoor, Israël!’ Het gaat om de oefening van een attitude waarbij je er rekening mee houdt ‘dat er niet staat wat er staat’, dat het mogelijk is te zien wat je eerder niet zag, dat het andere en de ander een verrassing in petto hebben. Liturgie heeft iets stugs, heeft iets van een weerbarstige rots in de woestijn; pas als je moeite doet, als je er tegenaan slaat, gutst het water. Evenals bv. beeldende kunst, poëzie, film, slaat de liturgie gaten in ons controlesysteem, opent ons voor wat aan ons wil gebeuren, doorbreekt onze beperkingen. De liturgie neemt ons mee naar een rand, naar gebied dat ons niet zomaar vertrouwd is. Wij worden uitgenodigd met hart en ziel en alle kracht en talent het vreemde te zoeken, het oude dat altijd nieuw is, stugheid die altijd stroomt, eeuwig leven in wat voorbij leek, nabijheid tot wat en wie tot nu toe op grote afstand bleef. Als zodanig is liturgie een bijdrage tot cultuur, tot menselijk samenleven in diep respect voor wat niet onmiddellijk in ons eigen straatje past.


We herkennen uitspraken als ‘het moet voor de mensen van nu verstaanbaar zijn’  en ‘het moet de jongeren aanspreken’ als vermoeiende dooddoeners. Het gaat erom bronnen te ontsluiten die echte bronnen zijn. Voor wat authentiek is wil je ook wel moeite doen. In de liturgie van de citykerk wordt geweten dat we nog niet met het verleden klaar zijn. Want het verleden is nog niet klaar met ons.


Henk Gols