Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Het woord van den beginne


Woorden zijn belangrijk. Het maakt uit wat je zegt. Taal luistert nauw. ‘In den beginne was het woord’, zo opent Johannes zijn evangelie. Hij beschrijft het woord van den beginne als een en al leven en licht. Zo staat het al in het eerste bijbelboek Genesis, waarin God zijn eerste woord de chaos in roept: ‘Er zij licht!’ Het eerste woord is scheppend en levenwekkend. Onze taal is uit dat eerste woord geboren.


Het woord van den beginne is waarachtig: het is niet leeg, het galmt niet maar wat, het kletst niet de ruimte in. Het is er niet op uit om te beledigen, het is geen groepsjargon, het wil niet buitensluiten. Integendeel, het wil communiceren, het hoopt op antwoord, het wil omvatten.

Op de eerste Kerstdag wordt in de liturgie van de kerk van het westen traditioneel gelezen over dat woord van den beginne (Johannes 1:1-14). Kerst is de eerbiedige viering van het ware woord: het woord, dat niet op zichzelf wil blijven, dat uit ijle hoogte neerdaalt, dat van ver dichtbij komt, dat wil wónen. Het zoekt zich een plek, zoals de duif uit de ark van Noach niet eindeloos wilde blijven zweven maar een concrete rustplaats zocht.

De zoekende beweging van het woord gaat door alle eeuwen en culturen. Overal waait dat woord gaten in het donker. Her en der spreekt het in taal die verheldert en ruimte schept, verbindt en geneest. Het eerste woord vol leven en licht vlamt op in waarachtige woorden die concrete mensen in concrete situaties spreken en die dan daden vol goedheid worden. Wie oplet, vindt de lichtsporen alom.


Kerst is wel het meest gedurfde scenario van die verbindende beweging van het woord. Wij vieren dat het woord dat alle dingen tevoorschijn riep, onder ons zijn tent heeft opgeslagen. Het komt als een mens voor ons staan: uitnodigend, kwetsbaar, sterk ook. Het eeuwige woord presenteert zich als een mens met een (hinderlijk?) concrete naam. Vreemde keus van het goddelijk woord om niet verheven en universeel, neutraal en prettig objectief te blijven. Dat het zó dichtbij wil komen wisten we niet. Dat het als een lijf ontvangen kan worden, als brood gegeten. Dat het als een naam in ons bloed kan zingen, als een mantra in wil dalen. In menige protestantse gemeente bestaat men het om Kerst te vieren zonder de eucharistie aan tafel. Het tekent een alleszins begrijpelijke houding: ons angstige terugschrikken voor de omarming, voor de kus op de mond. Maar je mist nou net de clou als je deze liefde niet lijfelijk wil, als je je aan deze gave niet overgeeft.


In de aloude liturgie van de kersttijd en de kerstcantates van Bach klinken zinnelijk thema’s uit het Hooglied. Het hoge woord klopt als een liefste aan de deur. Het zingt in ons dat het oude voorbijgaat, het vernieuwt onze taal, het schiet licht door onze woorden. Onze woorden en daden worden gekoppeld aan een beginsel dat het in zich heeft alle dingen te vervullen en nieuw te maken. Een beginsel dat niet abstract blijft maar in het evangelie wordt geschilderd met een gezicht, met ogen die ons niet meer loslaten: het gelaat van Christus. Als was het eeuwige woord te grijpen als een nieuwe liefde die zich meldt. Een liefde waar we helemaal voor gaan.


Henk Gols

Maandblad Oecumenisch Citypastoraat, december 2011