Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Pasen: doortocht, altijd actueel


Pasen is het centrale feest. In de christelijke traditie valt het in drie heilige dagen uiteen: (1) Witte Donderdagavond / Goede Vrijdag, (2) Stille Zaterdag en (3) Paasnacht / Eerste Paasdag. De Paasnacht vormt het hart, ze is de moeder van alle liturgie, alles wat we verder ook maar vieren wordt uit die nacht geboren.


Pasen is de beweging onderdoor naar de overkant. Het is de doortocht door de Rode Zee en door de Jordaan. Pasen is: wég uit Egypte, uit dienstbaarheid die je van jezelf vervreemdt, uit leven zonder roeping, uit schema’s en denkpatronen zonder belofte. Die paasweg staat bij Mozes en de profeten beschreven en wordt in de psalmen keer op keer bezongen. Het evangelie richt onze ogen op Jezus, die de aloude uittocht is gegaan ten einde toe, de doopweg door de dood. Op de avond voor zijn lijden en sterven viert hij met zijn leerlingen de maaltijd. Brood en wijn vult hij met zichzelf: hij zal zich laten breken en delen, via zijn lijden laat hij zich voortaan als vreugde drinken. Na dat laatste avondmaal daalt hij af in de diepte van lijden en dood. Het evangelie van Johannes noemt die afgang ‘verhoogd worden’.


In de traditie van de kerk bereikt op Stille Zaterdag het messiaanse afdalen zijn dieptepunt en keerpunt. Christus daalt af in de hel van de wereld, tot het nulpunt, tot wie het verst verloren zijn. Op oude iconen reikt hij Adam en Eva de hand en trekt ze weg uit hun eeuwige schuld naar het eeuwige leven. Na Jezus’ sterven, op Stille Zaterdag, rommelt het in de diepste diepte, in de ingewanden van de aarde. Want Pasen is niet oppervlakkig, het zoekt wat voorbij is weer op, de betekenis van Pasen reikt naar voren en achteren, Pasen zingt zich omhoog uit de peilloze afgronden van de wereld en van ons eigen hart.


In de Paasnacht maken wijzelf de omslag van dood naar leven mee. Wij horen de woorden uit Genesis 1: over schepping in plaats van chaos; uit Exodus 14: over de doortocht door het water, de uittocht naar de vrijheid; uit het evangelie: over de steen die de uitgang versperde maar opzij blijkt gerold, zodat nu alles naar het leven openligt. In de Paasnacht worden wij gedoopt of vernieuwen wij onze doop: de beweging van Christus door het doodswater naar het leven voltrekt zich aan onze eigen bestaan. De apostel Paulus benadrukt dat sterk in zijn brieven: alles van Christus geldt ook voor ons, wij lijden met hem mee en staan met hem op. Ons eigen leven met zijn verwondingen en tekort is nu getekend met het Pasen van onze Heer. Ons vege lijf wordt geolied met louter belofte. In de Veertigdagen vóór Pasen heeft geen halleluja geklonken, maar in de Paasnacht breekt het halleluja als vrolijke lentebloesem los en zingt het zich een weg van kerk tot kerk, door heel onze wereld.


Op de Paasmorgen altijd weer de focus op Maria van Magdala uit het evangelie van Johannes bij het open graf. Aangrijpende Hooglied-scéne: de messias en zijn bruid. Maar zij mag hem niet vasthouden, zij moet nu toestaan dat hij door de wereld en de eeuwen, door de culturen gaat. Hij zal voortaan voortdurend grenzen overschrijden. Ook onze tijd, dit jaar des Heren, wordt door zijn opstanding aangeraakt.


De Goede Week en Pasen vieren is iets anders dan op afstand herdenken wat er ooit, 2000 jaar geleden, gebeurde. Het gaat om zelf meemaken, zelf ingedoopt worden in een beweging die alsmaar doorgaat. Wat oud is in je en geen belofte heeft, wordt met Christus meebegraven. Zoals je bent, mag je je nu in vertrouwen (‘geloof’) begeven op een weg waarlangs je oversteekt naar een overkant die een en al belofte is. Met Pasen gaat het om een rite de passage, die zich elk jaar opnieuw aan ons voltrekt en ons helpt vandaag of morgen, nu of volgend jaar misschien, de meest ingrijpende overgang te maken de ultieme vrijheid tegemoet.


Henk Gols


Kerkblad Over & Weer, paasnummer 2011