Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Eekhoorn

Opeens was hij daar, de eekhoorn. Ik had nog niet eerder een eekhoorn in mijn tuin gezien. Maar nu, op de vroege zondagochtend, schoot hij vanuit de beukenhaag via de vlierbes een grote conifeer in. Ik was halverwege het schrijven van mijn preek; ik schreef net de woorden 'een nieuw soort verbinding tussen God en mensen en mensen onderling' - en toen liet het prachtige roodbruine beestje zich zien. Eerst dacht ik nog: misschien een marter. Maar zijn grote pluimstaart nam alle twijfel weg.

In de kerkdienst even later kwamen de kinderen naar voren, want zij en ik hebben vaak een kort gesprek, waarin soms spontaan diepzinnigheden aan de orde komen waarvoor in de preek geen plaats is. In het midden stond Heleen, ze droeg een shirt met op de voorkant een grote afbeelding van een... eekhoorn. Net zo roodbruin als de eekhoorn die ik kort daarvoor in het echt gezien had. Zo veroverde de eekhoorn uit mijn tuin zich een plaats in de eredienst.

Toen ik in de preek bij de woorden over 'een nieuw soort verbinding tussen God en mensen en mensen onderling was', kon ik het niet nalaten om op te merken dat precies hier de eekhoorn zich tussen mijn woorden had gewrongen.

Er komen wel vaker dieren in de kerk. Zoals de hond van Johan van Noortwijk, die zich ook die zondagmorgen weer rustig neervlijde in het bed van de liturgie. Ook moet ik denken aan de witte duif die op Pinksteren ergens in mijn Amsterdamse jaren '80 door het kerkgebouw De Duif vloog toen ik er met mijn vrienden de gregoriaanse vespers zong.

Dieren bevolken ook de Bijbel. Behalve de dieren uit de ark van Noach heb ik iets met de dieren in de psalmen: de nachtuil en de eenzame vogel op het dak uit psalm 102; de woudezel, de steenbok, de klipdas en de ooievaar uit psalm 104. De adelaar uit het lied van Mozes boezemt mij groter ontzag in nu ik tijdens mijn vakantie in Noorwegen twee keer een majestueuze zeearend heb zien rondzweven. Voor Mozes is zo'n grote arend een beeld van God, die jou als een jong opgooit en opvangt (Deuteronomium 32:11) — totdat je vliegen kunt op eigen kracht.

Tegen de dakrand van de pastorie te Cadzand, waar ik als predikant begon, hadden zwaluwen hun nest gebouwd. Verbijsterd was ik toen de koster in een onbewaakt ogenblik met een stok het nest verwoestte. Want het gaf zoveel rotzooi voor mijn voordeur, zei hij. Hoe kun je zoiets doen, dacht ik, als je in de kerk zingt over de zwaluwen die veilig nestelen bij Gods altaren?

Zou de eekhoorn zich nog eens aan mij laten zien? Op een vroege zondagochtend? In de Noorse mythologie is hij een boodschapper, een verbindingsdier tussen hemel en aarde. Ook een roddelaar, die de communicatie tussen boven en beneden vervuilt. Maar via het shirt van Heleen zocht hij zich een weg tot vlak voor het altaar. Op zoek naar een nieuw soort verbinding, vermoed ik. Een vrome eekhoorn. 


Henk Gols



Gepubliceerd in Over en Weer, het kerkblad van de Protestantse Gemeente te Nijmegen, september 2016