Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Janus

Toespraak bij de opening van de expositie ‘Geniet! en getekend’, van Ada Dispa (Joop Stoop, René Gouw),
in het Verhalenmagazijn, Malvert 7001, vrijdag 17 januari 2014


Januari, de maand van Janus. Janus is de god met twee koppen. In het werk van Ada verschijnt hij ook als twee figuren. Het een en het ander, achterland en voorland, yin en yang, verleden en toekomst, in en uit, geven en ontvangen, net wel en niet net, voorbij en opnieuw, deur dicht deur open, links en rechts, hol en bol, nee en ja — Janus is de spanning. Als je denkt ‘zo is het’, is het toch weer anders. Juist als je hebt verloren wat je wilde, vind je wat jou zocht. Het verdriet van de avond klapt om naar de vreugde van de morgen. Sterven is leven. Door de nacht kom je bij het licht. Vanaf het perron waar ik je zag vertrekken, zie ik je komen. Ook weggaan is blijven. En je kunt niets hebben dan wanneer je loslaat. En als je geen tijd hebt, vind je eeuwigheid. En niets is alles. Maar als je alles wil, heb je niets. Vol is dan bodemloos leeg.

In de tekeningen van Ada neemt zij de vreugde bloedserieus. De vrolijkheid gaat getooid met een masker: er is dus ook altijd een andere kant, al geeft die zich niet zomaar prijs. 

Het een hoort bij het ander. De verbinding is de kunst. Het heftige en het stille, het botte en het scherpe, donker en licht, de onhandigheid die tot ongedachte resultaten leidt, de noodzaak van de afwijking, de lelijkheid van de schoonheid, de dansende verrassing van de dyspraxie, de clown die alles op zijn kop zet, de wilde verbijstering die tot vrede voert. Die kunst is af te lezen aan het werk van Ada, dat zij deels gemaakt heeft met Joop Stoop, met Hans Weeren en haar eigen René Gouw.

Vanuit mijn eigen geloofstraditie kom ik met een verhaal. Het is een verhaal op de rand. Op de rand van nacht en dag, water en oever, van niets en alles. Mensen vissen in een schip, de hele nacht vergeefs. Zij hebben de dood in de rug. Het wordt morgen. Op de oever staat een onduidelijke gestalte. Hij zegt dat ze het net moeten uitgooien net aan de andere kant. Rechts, niet links. Dat net-even-anders blijkt het verschil te maken. Het dodelijk vergeefse slaat om in mateloze vervulling. Boordevol zijn de lege netten.

Zo ook zet de kunst ons op het verkeerde been, dat vervolgens het goede blijkt. De achterkant helpt ons vooruit. Het masker onthult. Maar de bezem waarmee je schoon wilt vegen doet het niet. Wat je in de hand hebt, werkt niet. Je moet het laten gebeuren. Dat is levenskunst. Het vergeefse, de onhandigheid, de chaos, het niet functioneren — het dient wat er komt, het schept de voorwaarden voor kwaliteit die als genade ontstaat.

Dus geniet van de dwaze verbinding, het circus van de afgrondelijke vrolijkheid, de lachende wanhoop, de grimmige gelukzaligheid. Van de tegenstellingen die in de kunstwerken bij elkaar worden gezet en pover aan elkaar worden vastgeniet. 

‘Denn wir haben hier keine bleibende statt’, ‘want we hebben hier geen blijvende woonstee’, zingt het in het Requiem van Brahms. Wij kunnen ons niet in het ene vastzetten. Wij gaan van hot naar her, van avond naar morgen. En daarom hinkt het, springt het, laten we komen, gaan we mee, zoeken we naar de achterkant van het eenzijdig gelijk, durven we achteruit om vooruit te komen, wagen wij ons aan vreemde verbindingen alsof alles tenslotte bijeengehouden wordt en samenvalt.


Henk Gols