Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Pelgrim op Pinksteren


De lente van de Paastijd

Ooit (2007) liep ik van de Nijmeegse Sint-Jacobskapel naar Périgueux in Zuid-West-Frankrijk. Ik startte op de tweede Paasdag en arriveerde op de avond voor Pinksteren. Zo liep ik door de Paastijd heen. Door een lentelandschap dat pril begon en steeds meer openbloeide.


Emmaüsgangers

Even ten zuiden van Luik vond ik onderdak in de cisterciënzer abdij Onze Vrouwe van Brialmont. In de hymne tijdens de vespers werd Christus bezongen als ‘de eerste onder de pelgrims’. Als pelgrim immers voegde hij zich bij de Emmaüsgangers. Hij liep met hen op, was bij hen te gast aan tafel, ontpopte zich als gastheer en wandelde verder door de tijd. Daarom gaan wij sinds Pasen onze wegen niet meer alleen. Onze eigen dagelijkse levenstocht is ingebed in de beweging die op de vroege Paasochtend is begonnen. Wat dicht zit in ons en onze weg blokkeert wordt naar voren toe opengetrokken. Dat is niet zomaar duidelijk, we moeten het net als de Emmaüsgangers ontdekken.

Wij begeven ons op weg om te vinden wat al klaarligt. Het wacht, in grote vreugde wacht het — zo zegt het ons het evangelie van Johannes. Het popelt om naar ons uit te stromen (4:14; 7:38). De Geest popelt en ons tekort is de ruimte waarin zij uit wil vloeien.


Blijven

Zelden bleef ik op een logeeradres langer dan een nacht. De fascinatie zat in het verdergaan, niet in het blijven. Blijven is wat je wenst voor ooit, als je bent aangekomen. Blijven is iets uiteindelijks.

De eerste vraag van Jezus’ leerlingen in het evangelie van Johannes betreft het blijven: ‘waar verblijft u?’ (1:39). De plek om te blijven is het huis van de Vader (14:2). Maar daar zijn we nog lang niet. De opstanding is het begin van een lange pelgrimstocht naar de ultieme bestemming (‘ik ga heen naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God’ — 20:17). De kloosterzusters van Brialmont maken die tocht via de getijden (want bidden is ook pelgrimeren). Ik ging te voet.


Weggaan en komen

Gaandeweg verandert de Paastijd van kleur. Begroette ik de vogels en de beesten in de wei aanvankelijk met ‘Het is Pasen, halleluja!’, vanaf Hemelvaart voegde ik er melancholiek aan toe: ‘Maar de Heer is weggegaan.’ De Opgestane gaat weg — maar om te komen. Hij is niet mijn bezit, hij komt in zijn vrijheid. Geloven is net als liefhebben bij tijd en wijle heel erg missen.

Eindeloos is de wereld en zijn de eeuwen van onze menselijke pelgrimage. Wijd en zijd ligt het land. Er zijn momenten dat al die ruimte eenzaam voelt. Hoe goed dan als je een plek vindt om even te blijven. Bad, bed, brood — basis om de levenstocht vol te houden. Pasen ademt in eenvoudige gebaren van gastvrijheid. De apostel Paulus vond onderdak bij Lydia, de purperverkoopster (Handelingen 15:14-15); ik voelde me welkom aan menige gastvrij gedekte tafel onderweg, zoals in het huis van Alain en Marie-Jeanne in Signy l’Abbaye, in de Franse Ardennen.


Weemoed

Een huis met een feestelijke tafel was, na vier weken lopen, de basiliek van Vézelay — waar de zusters en broeders van de communiteit van Jeruzalem met open handen voor de Eeuwige stonden. Waar de vrede rondging en net als de wolken wierook alle aanwezigen bereikte en de verste hoeken vulde. De weemoedige Johannes-woorden klonken er over nabij zijn en weggaan, die vreemde mengeling van verdriet en vreugde, onrust en vrede, zorg en vertrouwen, nergens zijn en toch tot je bestemming komen, liefhebben met haat om je heen — woorden door de Geest aangedragen, woorden van de Verrezene naar ons toegewaaid.


Tafel

Tenslotte (voor even) kwam ik thuis op Pinksteren in de kathedraal van Périgueux. Hoe weldadig om in een onbekende stad een huis te vinden waarvan de deuren openstaan, waar een gemeente samenkomt, het evangelie eerbiedig wordt gehoord, de vrede van hand tot hand gaat en het brood wordt gebroken. De Geest hecht zich aan een concrete plek, ze ‘vult het huis’ (Handelingen 2:2). In de desolate drukte van de steden moeten daarom huizen zijn en blijven waar de Geest kan binnenwaaien — waar met vertrouwen en verwachting liturgie wordt gevierd en de dienst van de gastvrijheid toegewijd wordt beoefend.

Als pelgrim beleef je het belang van die aandachtige plekken van samenkomst, waar met een eenvoudige vanzelfsprekendheid op de eerste dag van de week de tafel wordt toebereid. — De protestantse neiging om de tafelviering tot een minimum terug te brengen, maakt dat wij onnodig ronddolen in de wildernis van de tijd. We onthouden elkaar de genade van het geregelde thuiskomen.


Maandag

Vanaf de maandag na Pinksteren is de liturgische kleur groen: alles is weer ‘gewoon’, de eeuwigheid laat ons los in de tijd, vol vertrouwen dat het goed komt met ons en onze wereld. Zegen, opdracht en belofte zijn ons als bagage voor onderweg meegegeven. ‘Vrees niet’ — en daar sjouwen we over gebaande en ongebaande paden om de aarde te heiligen, vreemden met vrede te groeten, wonden te verbinden, het gewone te verlossen en te transformeren.

Na Pinksteren blijft een eeuwige pelgrim door de dagen lopen.


Henk Gols


Gepubliceerd in het Nijmeegse protestantse kerkblad Over en Weer, mei 2015